Ouderdom

 

hij kijkt de vlammen in 't gelaat

de rug gekromd, de benen stram

door al het lopen zonder dat het hem iets baatte

een lied, zijn vrouw staat in de keuken

zij doet de vaat, het klinkt als alledag

zij hoopt, haar man

zal ooit een keer ontsnappen

uit deze moede, moedeloze staat

 

toch was het vroeger niet zo, kan zij heugen

herinnert zich met glimlach dagen van weleer

waarop hij haar beminde in de heide

toen hij nog leefde, niet gegrepen door het vuur

dat hem 't gelaat nu flakk'ren doet,

laat keren in zichzelf,

hij kan niet meer ontkomen

aan deze zelfgewrochte leugen

 

haar lied spreekt van de Heer, onwankelbaar vertrouwen

hij hoort het met een wrange glimlach aan

denkt het verleden, weet hoe hij Hem liet vallen

en staart opnieuw met dode ogen

in 't levend vuur dat hem ontbreekt

beseft opeens met grote afschuw

dat zij, die zingt vol godsbesef

als enige om hem zal rouwen

 

 

VOORUITGANG

 

de wereld was nog groot, nog onbekend

ik was een kind, dus na het vallen

volgden snel de eerste schreden

ik reisde, keek en leerde

dat al wat in mij was naar buiten werd gezien

toch bleef één beeld mij bij

 

vanwaar je ook maar kwam, zuid, oost

ach, noem maar welke windstreek ook

steeds was daar het symbool van nestgeur

vroege herinnering aan waar

ik ooit geboren was

een toren, grijs in 't noorderlicht

 

nu klopt dat beeld niet meer

een honderd meters hoog gebouw, zelfs vele

zijn dominant gegrift in 't netvlies

ach, 'k word oud

net als die toren in dat nevelige licht

 

BAROK CAFE

 

vredig links klinkt Bach barok

en dompelt mij in stil Arcadië

gedachten mijm'ren langs de noten-lijnen

der melodie

 

LANGS EINDELOZE WEG

 

langs eindeloze weg

zie ik van tijd tot tijd een teken

een merk, boodschap uit verleden

waarin de leugens waarheid leken

 

nu 'k weet dat leugens zijn wat leugens zijn

en waarheid door de vele farizeeërs voetgetreden

geen enk'le uitspraak of hij is al weer omstreden

blijft mij het weten

 

DE POËZIE BERGT...

 

de poëzie bergt vele paden

grillig als het schuim der brekers

die als vanouds de kust bestormen

zich wentelen voor zij de kust betreden

 

ooit wou ik weten en 'k verraadde

mijn jonge jeugd, werd bruut bedolven

onder grote mensen waarden

zoals het strand door woeste golven

 

en radeloos zocht ik naar dat wat weg was

in kleur en toon en woord, in beeld en daad

al wat ik zag was grotere vervreemding

terwijl ik schreef en sprak op maat:

declameer uw ijdelheden, verwijder

wat u toch al kwijt bent

de jeugd vervliegt als al die vroeg're jaren

waarin u vreugde heeft gekend

 

ik zocht het kind en vond de nestor

ik zocht oorlog. het werd vrede

'k vond dwaasheid waar ik zocht wat wijs was

wat mij resteert is onbeholpen rede

 

NIEUWE STATENZIJL

 

een recht stuk weg, einde kromming links

verbleekt de zon met blikkerende schittering

een boerderij gooit schaduw-zwarte vorm

mijn land, voorbije regen, tegenlicht

 

de blik gericht op blauwgrijs, horizon

ontwaar ik havik, jagend sloom, toch snel

een dwarrelende leeuwerik, te laat voor lied

het land, voorbije hartstocht, schemering

 

daarna de dijk, fluorescerend maanfragment

en staren over water, urenloos

laat ik gedachten reizen maken

keer later weer terug naar 't land en tijdelijke hechting

 

TOEVALLIGE ONTMOETING

 

ik denk haar een verleden, twee kinderen had zij

het een geslaagd, het andere overlee'n

haar man heeft haar mooi zwanger laten zijn

en is vertrokken, god weet waarheen

 

dat is het beeld als ik de deur zie openen

en schuifelend met koffer een dame binnenkomt

verleden chique, niets meer te veinzen

een licht gesprek houdt op, verstomt

 

zij zet zich aan een tafel, zuchtend,

bestelt de toegeschoten ober dronken: “koffie graag”

vraagt dan een vuurtje voor haar

stamelend gedraaide sjekkie

roert melk en suiker door haar koffie, traag

spreekt ze tegen mij omdat ik naar haar kijk

en zij geen ander heeft

om haar gemoed te ventileren

zij tovert mij twee wonderschone kinderen

een man op zoek naar wijde verre luchten

 

dan is de koffie op, de sigaret gerookt

voor 't naar haar luisteren bedankt ze een paar keer

pakt weifelend haar koffer, kreunt naar buiten

en laat mij achter, hartezeer

 

de ober komt haar warboel op de tafel ruimen

terwijl hij haar hoofdschuddend nakijkt: 't is wat, hè, meneer

 

 

FUTURA MORTE

 

kijkend omhoog, de sterren tegemoet

zie 'k wanden van gebouwen dreigend doemen

mijn zicht op horizon beperkend

als 'k walgend van mijn eigen arrogantie braken moet

 

o ja, ik weet wie al die huizen heeft gebouwd

wie wegen aanlegt, kerncentrales lekken laat

de bom gegooid heeft, nee, keren zal niet baten

voor mij, die nooit een ander heeft berouwd

 

misschien dat ogen, mijn

ooit nog de waarheid zullen schouwen

en 's levens een'ge reden zien, een mantel

met botten en een schedel, bleek en koud

 

DE LIEGENDE ZON

 

terwijl ik keek

de schuivende zon achter

bloedeloze gevel

werd plotseling helder

alsof een harde wind een mist weg stormt

wie eigenlijk bewoog

 

en 'k greep mij vast aan

zekerheden terwijl ik keek

de schuivende zon

achter bloedeloze gevel

schijnbaar steen

schijnbaar licht

schijnbaar leven

 

VERZETTEN ZAL IK MIJ

 

verzetten zal ik mij

tegen allen die de schoonheid treden

die ochtend- avondstond vervelen

met achteloze rede

verzetten zal ik mij

 

mij weren zal ik me

tegen alles wat mij troebelt

mijn inzicht in de waarheid schaadt

door domme dialogen

mij weren zal ik me

 

wie kent de moed van allen die

de schoonheid dienen

wie kent die moed om 't hoofd te bieden

aan vleesgeworden paradox

die vormloos waarheid worden zal

wie kent die moed

ik ken die moed

 

GEDICHT VOOR LUKKIEN (dec. 92)

 

wie zal de weg zijn richting geven

wie zal dit doen

zal er de route onvergank'lijk zijn

 

wie zal de weg zijn waarde geven

is er iemand die dit weet

 

wie zal de bloem haar schoonheid geven

wie zal haar zien

zullen haar kleuren onvergank'lijk zijn

is er iemand die dit ziet

 

wie zal het leven inhoud geven

is er iemand

is er iemand die dit weet

 

NOORDZEE

 

een fiets, ik fiets

door grijsheid, grauwe panden

over blikkerende straten

met in mijn hart een vaag idee

iets is er gaande

 

ik bocht mijn rijwiel

om de kerk een windvlaag

niet verwacht, daar meestal daar

het windje in de rug

 

en dan opeens besef

een geur, een in het weten

weergaloos herinnering

zilt ontvangen neusgaten

 

IK BEN HET DIE RECHT

 

ik ben het, ik zeg ze, de verzen van gist”ren

wat zou het, ik doe toch wat ik wezenlijk wil

en zijn er geen schouwers, geen hoorders meer over

dan roep ik mijn lied”ren tegen het lover

het luistert, het zwijgt en ik hoor het slechts knisp'ren

als 't vuur van de helpoort het branden wil

 

maar is er nog iemand die hoorder wil spelen

dan speel ik de lied'ren terug naar zijn oor

en kan hij, of wil hij de waarheid niet velen

of breekt er tumult los uit duizenden kelen

dan moet ik, dan wil ik de schoonheid niet delen

dan sneuv'len mijn zangen, dan gaan ze teloor;

zo sneuvelen verzen en gaan dus teloor

 

TROCHAEISCH MET 5 VERSVOETEN

 

In memoriam, de Geste

 

was er ooit een schoner, eed'ler streven

van een man die zoveel jaren telde

dat hij leunend, zuchtend onder kennis

toch zijn berg beklom

toch zijn leven inhoud durfde geven

 

waar is dan dat schoner, eed'ler streven

is 't gestorven onder groter' geldingsdrang

zijn wij niet in staat meer om te geven

zonder super-a-sociale dwang

zonder dat het altijd moet

 

eenieder gaat zijn eigen harteloze gang

ondanks wat mij steeds het meest verwondert;

de beloning is zo onuitspreek'lijk zoet

 

HEIMWEE

 

stil staat de maan

de hemel ongekleurd

twee mensen spelen met elkaar

 

wat is er toch gebeurd

dat ik van deze schone zaken

toch niet écht vrolijk word

 

ik stem mijn stem

gebarsten door de tijd

en speel het lied der heimwee

 

EEN WAARHEID (de zoon van Toon)

 

een vriend van mij

verried mij deze morgen

toch was het niet

het laagste, mij ooit aangedaan

gaf mij de sleutel

 

hij was gaan rijden

(zei hij)

omdat rijden prettig was

zijn zoontje bij hem

zag de zon ter kimme gaan

zo rood ovaal, zei onbevangen

kijk pap, de zon leunt op het gras

 

EXISTENTIE

 

ik heb mezelf daarnet een bult bespaard;

ik ging ter poepen

zag verscholen

in één der duist”re hoeken

een vrouwtjesmug

zij zat daar of zij dacht:

ik kom mijn tijd wel door

langgepoot en kortbehaard

en zal niet eerder zuigen

bloed of andere lekkernijen

totdat de een of andere man

met mij in 't voorjaar heeft gepaard.

maar nu ik weet

sla ik, nog voor zij heeft gebaard

ach, ik heb mezelf een bult bespaard

 

STAD zonder RIJMWOORD

 

Ingezonden voor Pennestreken, september 1994

 

mijn stad, uw armen zijn de groene weiden

de sloten uw aad'ren voor het nuchter bloed

de westenwind uw machtige gebaren

o stad, o stad waarin ik kan verpozen

het centrum van een rechte spraak

daar waar geen leugen wordt geduld

 

mijn lief, mijn lief, ooit dacht ik dat een ander einder

't geluk mij brengen zou en ik ging te reizen

vond delicate schatten van de aarde

en het besef, er is geen groter goed

dan schoonheid door een mens gewrocht

maar toch ontbrak mij iets

 

mijn lief, mijn thuis, blauw-grijze horizon

mijn luchten en mijn lage landen

hoe heb ik ooit gedacht het elders te gaan zoeken

dan waar 'k geboren ben, mijn stad

 

GEDICHT VOOR OOG-IN-OOG

opdracht voor een fotoclub in Beijum, Groningen

 

ik draaide, zocht de oorzaak voor dit wenden

ontwaarde schaduw in een spiegelende plas

aanblikkend mij alsof ik zelf niet was

 

zij stond daar zwijgend, toch was er geluid

was het mijn hart dat antwoord gaf

op vragen die ik nimmer stellen durfde

 

en rusteloos begon mijn zoektocht

naar 't land van vrede, liefde

en wist, Arcadië geheten

 

OUD NEDERLANDS STAFRIJM MET MODERNE AANPAK

 

veelal vruchteloos is 't pogen
veelal franjeloos het doel
zonder leed geen mededogen
veelal vervelend het gevoel

 

vaak vertwijfeld in 't gedogen
zeg 'k wat ik veelal veins of voel
zonder vreugd geen ziel bewogen
vaker echter hou 'k mijn smoel

 

TROCHAEISCHE HERINNERING

 

aan een knaapje, zwoel gekapstokt

hangt een jurkje in mijn kast

maar als ik de deur weer los doe

en mijn ogen dan niet toe doe

dan is Leiden weer in last

 

oh, dat jurkje dat jij aan had

toen ik jou mijn liefd' beleed

als ik nu mijn hart weer los doe

en mijn ogen even toe doe

zie ik jou, met lust bekleed

 

ach, dat jurkje dat jij uit had

hangt nu verkreukeld in mijn kast

 

IK WEET NOG NIX

 

het gras is groen

een boom staat hoog

een huis is vaak van steen

een boterbloem is geel en niet

veel groter dan een madeliefje

er klaagt een geit

mekkert om het hoekje van de schuur

iets knarst, dat is de waterput

de poezen slapen in 't kozijn

de zon staat stralend aan

de hemel als een uit

zijn as verrezen phoenix

de hond blaft

kat miauwt en

nog steeds weet ik nix

 

HERINNERING

 

herfstgroen, rode tooi. wat noten

en losse blaad'ren om samen in te spelen:

een herinnering

 

fietspad, grijs-grauw, gore schoenen, natte kleren

om elke hoek loert dodelijke eenzaamheid:

een herinnering

 

zoet gesprek, wat tranen, liefde voelbaar

in elke daad lag de bevestiging:

een herinnering

 

LOF DER ONWIL

 

'k ben niet geboren om te leven

'k ben niet geboren voor een ander

ik zal niet leven, eind'lijk sterven

om, volgens gelovigen,

het hemelrijk te erven

 

'k ben niet geboren om te loven

voor liefde is geen plaats in mij

ik zal niet leven om te geven

om, volgens anderen,

nogmaals leven te beleven

 

'k ben niet geboren, ben ik wel geboren

is mijn moeder wel de draagster van deez' vrucht

zal mijn leven, 't zijn waaronder ik nu zucht

wel eindigen in vredig sterven

'k ben niet geboren om te leven

dus laat ik niet uw vreugd bederven

 

laat mij dan niet de wanklank van vanavond zijn

laat mij dan niet mijn verzen lezen,

nee, laat mij maar uw goden vrezen

en ze verzuipen in liters bier en wijn

 

geef mij vergetelheid, laat mij niet bedenken

dat al wat in mij is ook uit mij is

al wat ik zie, brutaal aanwezig, soms ook ongewis

mij nooit de veiligheid van zekerheid kan schenken

 

nee, laat mij vieren, met u feesten

tot schuim en dronkenschap mij op de lippen staan

mijn waanzin lallend nergens op zal slaan

mij voelen laat, ik ben beest onder de beesten

 

ODE AAN NANCY

 

er was een middag, er was zon

en in die zon, daar danste zij

er was een stoel en benen kruislings

schonk hij haar Afrikaans drie-over-twee

totdat zij niet meer dansen kon

 

er was een nacht, dagheld're maan

en in die maan keek zij naar mij

er was een bed en liefde kruislings

schonk zij hem wat zij schenken kon

totdat ik niet meer denken hoefde

 

er was middag, er was zon

 

HELLE HEMEL

 

vier voeten paarsgewijs in 't rulle zand

zij praatte honderduit over het toeval

of 't wel of misschien niet bestond

en had geen flauw idee waarin zij was beland

 

vier voeten paarsgewijs door 't witte zand

hij staarde over 't water, voelde eenzaamheid

genoot wel van 't feit dat hij bestond

maar had geen flauw benul, greep toen haar hand

 

en zij verstomde woordeloos, ontdaan

en stil vergleed de tijd voor deze twee

zij plukten later bessen, bloemen, zelfs de dag

totdat het tijd werd om naar huis te gaan

 

vier schoenen vuil door 't natte zand

en even was de hemel open voor hen bei

zo hel, zo ongekleurd, zo niets van alles

vier voeten paarsgewijs door 't rulle zand

 

ODE AAN DE DICHTKUNST

 

't verscheiden van het licht

belast mij enkel duist're paden

waarop mijn voeten, zinnen, lusten, daden

hun nutteloze leven leiden

rest mij de schoonheid van 't gedicht

 

daar ogen, mijn, de duisternis ontwaren

als duivel zelf zijn mij die gaven toebedeeld

al god zie ik, de mensheid speelt

daar zij de hemel, hel ontkent

 

rest mij mijn lezers, weinig slechts, te sarren

met valse grijns op 't aangezicht

rest mij de schoonheid van het lelijke gedicht

 

MOMENT OF IN-BETWEEN

 

tussen daad, gedachte

zit een duivel stil

te wachten om

genaad'loos toe te slaan

op 't moment onzekerheid;

schermt met woorden

achterdocht en zekerheid en spijt

opdat ik niet meer durf te gaan

niets in de toekomst kan verwachten

dan dat tussen daad, gedachte

elke keer die duivel zit te wachten

om genaad'loos toe te slaan

 

A PLACE REVISITED

 

aan d'einder staan wat heuvels

grijs-blauw gekoppeld aan een hemel

ik weet een stad daar

 

en dichterbij, meander van een oude vliet

wat duidelijker, de wilgen die haar zomen

een duif schiet vleugel-klapp'rend weg

 

van hier,. de plek waar ik nu sta

getooid met vreugdevol' herinnering

aan jou, hoe wij hier samen keken

naar onze toekomst, liefde in het koren

stad in de heuvels

hemel op Aarde

 

VOOR HAAR DE WAARHEID

 

glas-blauwe suikerpot, rook-glazen Shell-mok

de lepel met sporen van dagenlang thee

het vuilwitte tafelblad, bierviltje van gist'ren

het adres van een meisje, ontmoet in 't café

 

hij was aan het zwerven, kwam toevallig haar tegen

het klikte , zo dacht hij, en bood haar een glas

en zijn gezelschap, zij knikte instemmend;

hij wist een cafeetje waar 't gezelliger was

 

dus fietsten zij samen door stad en door regen

naar 't volgende kroegje en dronken wat bier

en praatten en proostten, ze lachten veel samen

tot 't sluitingstijd was, zo tegen half vier

 

toen deelde ze mee dat een vriendje haar wachtte

en of hij nu boos was, hij schudde van nee

maar betaalde de drankjes, nam zelfs geen afscheid

ging terug naar zijn flatje en keek daar T.V.

 

refrein:

gist'ren was een andere dag

een dag als nooit tevoren

nu klinkt jouw naam

en beeldbuis zal mij nooit eenmaal

als vroeger meer bekoren

 

GEHEIMSCHRIFT

 

Terwijl de imbecielen rijmels schrijven in

hun zelfgewrochte hel, het voorgeborchte haar

geheimen prijsgeeft moet waarheid, hoe vermetel

ook gesteld, verborgen blijven, ja, die wel

 

Te groot is heden kruisgevecht, te zwaard hun messen,

te scherp hun waarden, hoe hopeloos de overwinning.

Schijnbaar zijn de plussen min, de linksen rechts

de ondersteboven ook! 

 

(R)Apport(age)!

 

In de ochtend, als ik met mijn hond

Een Goedemorgen wek van menig leven

Geboren door het waakbevel

Van wrede waarheid, opstaan nu!

 

Een wekker waakt, en ergens gaat

De telefoon, neem toch es op

Helaas, hij slaapt

 

Slaap lekker, sluimerwekker

Maar hond en ik

Zien opwaarts, stijve nek

Morgenvlucht van wolken meeuwen

Naar ebgebied en weten

Weinigen zagen dit!

 

KIJK, VLAK VOOR HET SLAPEN

 

Kijk, vlak voor het slapen

en zinnen zich vertonen

als zinnen moeten doven

geblust met jou, door jou en jij

tevreden slaapt, later

 

Kijk, vlak voor het waken

als zinnen zich verpozen

en het dromen moet doven

 

Just an ordinairy love-song

(the difference is, it’s for you)

 

Ik drink uit het glas waaruit jij hebt gedronken

Zit op de stoel nog warm van jouw lijf

Ervaar hoe je weg bent met belofte van weerzien

Besef da’k het liefst

De rest van mijn leven

Dicht in de buurt bij je blijf

 

Nu dicht ik ‘t gedicht da’k door jou heb gekregen

Met liefde nog brandend, gevoel dat beklijft

Uitkijkend naar morgen, naar jou terugzien

Hoop dat je ‘t liefst

De rest van je leven

Dicht in de buurt bij mij blijft

 

Ik weet het, ik zou toch

Wijs moeten zijn

Emoties beheersend

Niets willen willen

Maar weet je, ik zou toch

Het liefst heel mijn leven

Naast jou willen staan,

Dicht bij jou willen zijn

 

Ik proef nog de zoen die jij mij hebt gekust

Voel onder mijn handen jouw soepele lijf

Zie in jouw ogen een blauw van belofte

En weet dat ik graag

Tijdloze uren

In jouw gezellschap verblijf

De rest van mijn jaren

Jouw timmerman, minnaar

Man, kok en bediende

Desnoods zelfs jouw slaaf wil zijn

 

MUZE MIJN

 

Goedemorgen hartediefje, mooie Muze mijn

Verloren, toch weer opgedoken

Nu lig je naast mij, ogen licht geloken

alexandrine, alexandrijn

Dag liefje, hartediefje, schoonste Muze mijn

 

Dag Muze, Muizenis, mooie Muze mijn

Mijn adem zal jouw lijf minzaam beroeren

Mijn kussen zullen jou vervoeren

alexsandrine, alexsandrijn

Dag Muze, mooie Muze, mooie Muze mijn

 

GOUD

 

Ik hou van goud, ik hou van groen

amber gevat in stralenbogen

in zonsopgang, in mooie kunst

in beelden van een fotograaf

maar bovenal,

en dat vooral

als ik onpeilbaar diep

verzink in beider uwer ogen

 

LUTJE WICHIE

(Grunnegse laifde)

 

Lutje wichie, mooi gezichie,

loatgeboor'n kind van Zeus,

'k wil altied wel bie die bliev'm,

schitterende laidjes schriev'm,

ken'k die altied tuut’n

op dien mooie neus.

 

ZOUTE VLOEK

 

Terwijl de ouden

ongeremd

hun erger spuien

hun kwalen blank en bloot

op zee en havendijk

uitvoerig banken

 

De vloed, eb, irritant getij

voortdurend hen herinnert

aan eeuwigheid waar zij

geen deel aan hebben

Ziedaar de heimwee

ergernis

en zilt bejaarde tranen

 

OUDERDOM

 

hij kijkt de vlammen in 't gelaat

de rug gekromd, de benen stram

door al het lopen zonder dat het hem iets baatte

een lied, zijn vrouw staat in de keuken

zij doet de vaat, het klinkt als alledag

zij hoopt, haar man

zal ooit een keer ontsnappen

uit deze moede, moedeloze staat

 

toch was het vroeger niet zo, kan zij heugen

herinnert zich met glimlach dagen van weleer

waarop hij haar beminde in de heide

toen hij nog leefde, niet gegrepen door het vuur

dat hem 't gelaat nu flakk'ren doet,

laat keren in zichzelf,

hij kan niet meer ontkomen

aan deze zelfgewrochte leugen

 

haar lied spreekt van de Heer, onwankelbaar vertrouwen

hij hoort het met een wrange glimlach aan

denkt het verleden. weet hoe hij Hem liet vallen

en staart opnieuw met dode ogen

in 't levend vuur dat hem ontbreekt

beseft opeens met grote afschuw

dat zij, die zingt vol godsbesef

als enige om hem zal rouwen

 

VOORUITGANG

 

de wereld was nog groot, nog onbekend

ik was een kind, dus na het vallen

volgden snel de eerste schreden

ik reisde, keek en leerde

dat al wat in mij was naar buiten werd gezien

toch bleef één beeld mij bij

 

vanwaar je ook maar kwam, zuid, oost

ach, noem maar welke windstreek ook

steeds was daar het symbool van nestgeur

vroege herinnering aan waar

ik ooit geboren was

een toren, grijs in 't noorderlicht

 

nu klopt dat beeld niet meer

een honderd meters hoog gebouw, zelfs vele

zijn dominant gegrift in 't netvlies

ach, 'k word oud

net als die toren in dat nevelige licht

 

BAROK CAFÉ

 

vredig links klinkt Bach barok

en dompelt mij in stil Arcadië

gedachten mijm'ren langs de noten-lijnen

der melodie

 

LANGS EINDELOZE WEG

 

langs eindeloze weg

zie ik van tijd tot tijd een teken

een merk, boodschap uit verleden

waarin de leugens waarheid leken

 

nu 'k weet dat leugens zijn wat leugens zijn

en waarheid door de vele farizeeërs voetgetreden

geen enk'le uitspraak of hij is al weer omstreden

blijft mij het weten

 

DE POËZIE BERGT...

 

de poëzie bergt vele paden

grillig als het schuim der brekers

die als vanouds de kust bestormen

zich wentelen voor zij de kust betreden

 

ooit wou ik weten en 'k verraadde

mijn jonge jeugd, werd bruut bedolven

onder grote mensen waarden

zoals het strand door woeste golven

 

en radeloos zocht ik naar dat wat weg was

in kleur en toon en woord, in beeld en daad

al wat ik zag was grotere vervreemding

terwijl ik schreef en sprak op maat:

declameer uw ijdelheden, verwijder

wat u toch al kwijt bent

de jeugd vervliegt als al die vroeg're jaren

waarin u vreugde heeft gekend

 

ik zocht het kind en vond de nestor

ik zocht oorlog. het werd vrede

'k vond dwaasheid waar ik zocht wat wijs was

wat mij resteert is onbeholpen rede

 

NIEUWE STATENZIJL

 

een recht stuk weg, einde kromming links

verbleekt de zon met blikkerende schittering

een boerderij gooit schaduw-zwarte vorm

mijn land, voorbije regen, tegenlicht

 

de blik gericht op blauwgrijs, horizon

ontwaar ik havik, jagend sloom, toch snel

een dwarrelende leeuwerik, te laat voor lied

het land, voorbije hartstocht, schemering

 

daarna de dijk, fluorescerend maanfragment

en staren over water, urenloos

laat ik gedachten reizen maken

keer later weer terug naar 't land en tijdelijke hechting

 

TOEVALLIGE ONTMOETING

 

ik denk haar een verleden, twee kinderen had zij

het een geslaagd, het andere overlee'n

haar man heeft haar mooi zwanger laten zijn

en is vertrokken, god weet waarheen

 

dat is het beeld als ik de deur zie openen

en schuifelend met koffer een dame binnenkomt

verleden chique, niets meer te veinzen

een licht gesprek houdt op, verstomt

 

zij zet zich aan een tafel, zuchtend,

bestelt de toegeschoten ober dronken: “koffie graag”

vraagt dan een vuurtje voor haar

stamelend gedraaide sjekkie

roert melk en suiker door haar koffie, traag

spreekt ze tegen mij omdat ik naar haar kijk

en zij geen ander heeft

om haar gemoed te ventileren

zij tovert mij twee wonderschone kinderen

een man op zoek naar wijde verre luchten

 

dan is de koffie op, de sigaret gerookt

voor 't naar haar luisteren bedankt ze een paar keer

pakt weifelend haar koffer, kreunt naar buiten

en laat mij achter, hartezeer

 

de ober komt haar warboel op de tafel ruimen

terwijl hij haar hoofdschuddend nakijkt: 't is wat, hè, meneer

 

FUTURA MORTE

 

kijkend omhoog, de sterren tegemoet

zie 'k wanden van gebouwen dreigend doemen

mijn zicht op horizon beperkend

als 'k walgend van mijn eigen arrogantie braken moet

 

o ja, ik weet wie al die huizen heeft gebouwd

wie wegen aanlegt, kerncentrales lekken laat

de bom gegooid heeft, nee, keren zal niet baten

voor mij, die nooit een ander heeft berouwd

 

misschien dat ogen, mijn

ooit nog de waarheid zullen schouwen

en 's levens een'ge reden zien, een mantel

met botten en een schedel, bleek en koud

 

DE LIEGENDE ZON

 

terwijl ik keek

de schuivende zon achter

bloedeloze gevel

werd plotseling helder

alsof een harde wind een mist weg stormt

wie eigenlijk bewoog

 

en 'k greep mij vast aan

zekerheden terwijl ik keek

de schuivende zon

achter bloedeloze gevel

schijnbaar steen

schijnbaar licht

schijnbaar leven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VERZETTEN ZAL IK MIJ

 

verzetten zal ik mij

tegen allen die de schoonheid treden

die ochtend- avondstond vervelen

met achteloze rede

verzetten zal ik mij

 

mij weren zal ik me

tegen alles wat mij troebelt

mijn inzicht in de waarheid schaadt

door domme dialogen

mij weren zal ik me

 

wie kent de moed van allen die

de schoonheid dienen

wie kent die moed om 't hoofd te bieden

aan vleesgeworden paradox

die vormloos waarheid worden zal

wie kent die moed

ik ken die moed

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GEDICHT VOOR LUKKIEN (dec. 92)

 

wie zal de weg zijn richting geven

wie zal dit doen

zal er de route onvergank'lijk zijn

 

wie zal de weg zijn waarde geven

is er iemand die dit weet

 

wie zal de bloem haar schoonheid geven

wie zal haar zien

zullen haar kleuren onvergank'lijk zijn

is er iemand die dit ziet

 

wie zal het leven inhoud geven

is er iemand

is er iemand die dit weet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NOORDZEE

 

een fiets, ik fiets

door grijsheid, grauwe panden

over blikkerende straten

met in mijn hart een vaag idee

iets is er gaande

 

ik bocht mijn rijwiel

om de kerk een windvlaag

niet verwacht, daar meestal daar

het windje in de rug

 

en dan opeens besef

een geur, een in het weten

weergaloos herinnering

zilt ontvangen neusgaten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IK BEN HET DIE RECHT

 

ik ben het, ik zeg ze, de verzen van gist”ren

wat zou het, ik doe toch wat ik wezenlijk wil

en zijn er geen schouwers, geen hoorders meer over

dan roep ik mijn lied”ren tegen het lover

het luistert, het zwijgt en ik hoor het slechts knisp'ren

als 't vuur van de helpoort het branden wil

 

maar is er nog iemand die hoorder wil spelen

dan speel ik de lied'ren terug naar zijn oor

en kan hij, of wil hij de waarheid niet velen

of breekt er tumult los uit duizenden kelen

dan moet ik, dan wil ik de schoonheid niet delen

dan sneuv'len mijn zangen, dan gaan ze teloor;

zo sneuvelen verzen en gaan dus teloor

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TROCHAEISCH MET 5 VERSVOETEN

 

In memoriam, de Geste

 

was er ooit een schoner, eed'ler streven

van een man die zoveel jaren telde

dat hij leunend, zuchtend onder kennis

toch zijn berg beklom

toch zijn leven inhoud durfde geven

 

waar is dan dat schoner, eed'ler streven

is 't gestorven onder groter' geldingsdrang

zijn wij niet in staat meer om te geven

zonder super-a-sociale dwang

zonder dat het altijd moet

 

eenieder gaat zijn eigen harteloze gang

ondanks wat mij steeds het meest verwondert;

de beloning is zo onuitspreek'lijk zoet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HEIMWEE

 

stil staat de maan

de hemel ongekleurd

twee mensen spelen met elkaar

 

wat is er toch gebeurd

dat ik van deze schone zaken

toch niet écht vrolijk word

 

ik stem mijn stem

gebarsten door de tijd

en speel het lied der heimwee

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EEN WAARHEID (de zoon van Toon)

 

een vriend van mij

verried mij deze morgen

toch was het niet

het laagste, mij ooit aangedaan

gaf mij de sleutel

 

hij was gaan rijden

(zei hij)

omdat rijden prettig was

zijn zoontje bij hem

zag de zon ter kimme gaan

zo rood ovaal, zei onbevangen

kijk pap, de zon leunt op het gras

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EXISTENTIE

 

ik heb mezelf daarnet een bult bespaard

ik ging ter poepen

zag verscholen

in één der duist”re hoeken

een vrouwtjesmug

zij zat daar of zij dacht

ik kom mijn tijd wel door

langgepoot en kortbehaard

en zal niet eerder zuigen

bloed of andere lekkernijen

totdat de een of andere man

met mij in 't voorjaar heeft gepaard

maar nu ik weet

sla ik, nog voor zij heeft gebaard

ach, ik heb mezelf een bult bespaard

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

STAD ZONDER RIJMWOORDEN

 

Ingezonden voor Pennestreken, september 1994

 

mijn stad, uw armen zijn de groene weiden

de sloten uw aad'ren voor het nuchter bloed

de westenwind uw machtige gebaren

o stad, o stad waarin ik kan verpozen

het centrum van een rechte spraak

daar waar geen leugen wordt geduld

 

mijn lief, mijn lief, ooit dacht ik dat een ander einder

't geluk mij brengen zou en ik ging te reizen

vond delicate schatten van de aarde

en het besef, er is geen groter goed

dan schoonheid door een mens gewrocht

maar toch ontbrak mij iets

 

mijn lief, mijn thuis, blauw-grijze horizon

mijn luchten en mijn lage landen

hoe heb ik ooit gedacht het elders te gaan zoeken

dan waar 'k geboren ben, mijn stad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GEDICHT VOOR OOG-IN-OOG

 

opdracht voor een fotoclub in Beijum, Groningen

 

ik draaide, zocht de oorzaak voor dit wenden

ontwaarde schaduw in een spiegelende plas

aanblikkend mij alsof ik zelf niet was

 

zij stond daar zwijgend, toch was er geluid

was het mijn hart dat antwoord gaf

op vragen die ik nimmer stellen durfde

 

en rusteloos begon mijn zoektocht

naar 't land van vrede, liefde

en wist, Arcadië geheten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

WARTAAL

 

Maak uw verbeelding autonoom

Zij zal ter plekke onbeheersbaar zijn

En uit zijn jasje en uw geest in

Mateloze rampspoed groeien

 

Maar halt... ho! Op mijn pad terstond gekeerd

Ik zal u met mijn wartaal niet vermoeien

 

Zoals de één de donder op de schenen tolereert

Een ander in een herfstzon stil geniet

Van wat gebeurt en wat soms niet

De dominee zijn weekpreek masturbeert

 

O, dol is hij op spuwend woordenstroom

Bevruchtend wat hij heeft verkracht

Zijn religieuze wellust schuilt fascistoïde macht

 

Een mens is niet krankzinnig als u ziet wat ik bedoel

Verbale onzin is wijsheid in evenknie's oren

Genot is de zonde na kunst pas geboren

Esthetisch verleden, ethiek het gevoel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ONWEER

 

Verderfelijk weerlicht, geboren op kansel

geeft vrucht geen bestaansrecht

't gevoel enkel schuld

Macht die misbruikt wordt

perkt andermans vrijheid

Wijsheid is pauze, zien is geduld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VAN A NAAR B

Mijn reis van pre-nataal naar post-bejaard

schenkt dagelijks nog vele kansen

om met de bruid of bruidegom te dansen

zo wordt mijn levenslust verklaard

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GEHEIMSCHRIFT

 

Terwijl de imbecielen rijmels schrijven in

hun zelfgewrochte hel, het voorgeborchte haar

geheimen prijsgeeft moet waarheid, hoe vermetel

ook gesteld, verborgen blijven, ja, die wel

 

Te groot is heden kruisgevecht, te zwaard hun messen,

te scherp hun waarden, hoe hopeloos de overwinning.

Schijnbaar zijn de plussen min, de linksen rechts

de ondersteboven ook!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

(R)Apport(age)!

 

In de ochtend, als ik met mijn hond

Een Goedemorgen wek van menig leven

Geboren door het waakbevel

Van wrede waarheid, opstaan nu!

 

Een wekker waakt, en ergens gaat

De telefoon, neem toch es op

Helaas, hij slaapt

 

Slaap lekker, sluimerwekker

Maar hond en ik

Zien opwaarts, stijve nek

Morgenvlucht van wolken meeuwen

Naar ebgebied en weten

Weinigen zagen dit!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KIJK, VLAK VOOR HET SLAPEN 

Kijk, vlak voor het slapen

Als zinnen zich vertonen

Als zinnen moeten doven

Geblust met jou, door jou en jij

Tevreden slaapt, later

 

Kijk, vlak voor het waken

Als zinnen zich verpozen

En dromen doven moet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Just an ordinairy Love-song

(the difference is, it’s for you)

 

Ik drink uit het glas waaruit jij hebt gedronken

Zit op de stoel nog warm van jouw lijf

Ervaar hoe je weg bent met belofte van weerzien

Besef da’k het liefst

De rest van mijn leven

Dicht in de buurt van je blijf

 

Nu dicht ik ‘t gedicht da’k door jou heb gekregen

met hartstocht nog brandend, gevoel dat beklijft

Uitkijkend naar morgen. naar jou terugzien

Hoop dat je ‘t liefst

De rest van je leven

Dicht in de buurt bij mij blijft

 

Ik weet het, ik zou toch

Wijs moeten zijn

emoties beheersend

niets willen willen

Maar weet je, ik zou toch

Het liefst heel mijn leven

Naast jou willen staan,

Dicht bij jou willen zijn

 

Ik proef nog de zoen die jij mij hebt gekust

Voel onder mijn handen jouw soepele lijf

Zie in jouw ogen een blauw van belofte

En weet dat ik graag

Tijdloze uren

In jouw gezelschap verblijf

De rest van mijn jaren

Jouw timmerman, minnaar

Man, kok en bediende

Desnoods zelfs jouw slaaf wil zijn

 

 MUZE MIJN

 

Goedemorgen hartediefje, mooie Muze mijn

Verloren, toch weer opgedoken

Nu lig je naast mij, ogen licht geloken

Alexandrine, alexandrijn

Dag liefje, hartediefje, schoonste Muze mijn

 

Dag Muze, Muizenis, mooie Muze mijn

Mijn adem zal jouw lijf minzaam beroeren

Mijn kussen zullen jou vervoeren

Alexsandrine, alexsandrijn

Dag Muze, mooie Muze, mooie Muze mijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GOUD

 

Ik hou van goud, ik hou van groen

amber gevat in stralenbogen

in zonsopgang, in mooie kunst

in beelden van een fotograaf

maar bovenal,

en dat vooral

als ik onpeilbaar diep

verzink in beider uwer ogen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 LUTJE WICHIE

 

Lutje wichie, mooi gezichie,

loatgeboor'n kind van Zeus,

'k wil altied wel bie die bliev'm,

schitterende laidjes schriev'm,

ken'k die altied tuut’n

op dien mooie neus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 ZOUTE VLOEK

 

Terwijl de ouden

ongeremd

hun erger spuien

hun kwalen blank en bloot

op zee en havendijk

uitvoerig banken

 

De vloed, eb, irritant getij

voortdurend hen herinnert

aan eeuwigheid waar zij

geen deel aan hebben

Ziedaar de heimwee

ergernis

en zilt bejaarde tranen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KLAAR

 

Als ik klaar ben met kijken

zal ik dan eindelijk gaan zien?

 

Is alles water, is alles lucht

Zijn leugens waarheid

of is het al

een en hetzelfde misschien?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CONTINUÜM 

Langs wegen, water- asfalt- klinker- zand

en ongebaande paden

zie ’k bijna altijd trotse bomen staan

Geen woord teveel, toch eigen taal

die ik gebruik om u te duiden

dat

ook als ik er niet meer ben

het leven altijd door zal gaan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 LEEG

 

Alleen uit niets kan iets ontstaan

sta met leeg gemoed

wees eenzaam en alleen

met al die mensen om u heen

en schilder met uw hart en bloed

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MONDRIAAN

 

De wieken van de tijd

zijn tekens aan de wand

Geen kent zijn lot

elk gaat zijn weg

maar als u nu uw tijd verbeidt

met wachten op wat komt

zal alles wat u zeggen wou

al eeuwen zijn verstomd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 SSSST! 

 

Oorverdovend valt de stilte

‘t Lawaai maakt doof