VLUCHT NAAR HET ONGERIJMDE

 

 

 

 

GEDICHTEN

UIT

EEN

LANG

LEVEN

 

 

 

 

 

1968 - 2020

 

 

GEWOON LEKKER DOOR ELKAAR

 

 

 

 

 

 

001: KWAAD OF KWIJT

002: (r)APPORT(AGE)!

003: LUCIDE

004: ORDINARY LOVESONG

005: ALEXANDRIJN, MUZE MIJN

006: GOUD

007: GRUNNEGS GEDICHIE, LUTJE WICHIE

008: ZOUTE VLOEK

009: ALS IK KLAAR BEN

010: PERPETUUM MOBILE

011: ART OF CREATION/CREATION OF ART

012: WIEKEN VAN MONDRIAAN

013: OUDERDOM

014: VOORUITGANG

015: BAROK CAFE

016: LANGS EINDELOZE WEG

017: DE POËZIE BERGT…

018: NOORDPOLDERZIJL

019: TOEVALLIGE ONTMOETING

020: FUTURA MORT

021: DE LIEGENDE ZON

022: VERZETTEN ZAL IK ME

023: GEDICHT VOOR LUKKIEN

024: NOORDZEE

025: IK BEN HET DIE RECHT

026: VIJF VERSVOETEN

027: HEIMWEE

028: EXISTENTIE

029: STAD ZONDER RIJMWOORD

030: GEDICHT VOOR OOG-IN-OOG

031: OUD NEDERLANDS STAFRIJM

032: TROCHAEISCHE HERINNERING

033: IK WEET NOG NIX

034: LOF DER ONWIL

035: ODE AAN NANCY

036: HELLE HEMEL

037: TELEFONISCH MISVERSTAND

038: ODE AAN DE DICHTKUNST

039: MOMENT OF IN-BETWEEN

040: A PLACE REVISITED

041: VOOR HAAR DE WAARHEID

042: EEN WAARHEID (de zoon van Toon)

043: NIET MOGENDE GEZEGD ZIJN

044: ONWEER

045: VAN A NAAR B

046: REQUIEM

047: ROERMOND

048: PEINTURE PERCEPTUELLE

049: GEDRAGEN DECLAMATIE

050: MEMENTO MORI

051: TREDEN

052: NEVELS

053: SCHAAKSTUK VAN BABEL

054: NOLITE TIMERE

055: WACHTEN OP NU

056: MEMENTO MORI II

057: JODY

058: TO BE OR NOT TO BE..

059: GEHEIMSCHRIFT

060: GODENKLETSPRAAT

061: MOOI SCHILDERIJ

062: JARIG?

063: STALEN NEUZEN

064: GEVALLEN MAN

065: ANAFORE GRENZEN

066: NUTTELOOS

067: OCHTENDZON

068: SPINOZA’S GELIJK

069: KINDERSPEL

070: DOSTOJEVSKI’S ERFENIS

071: WOORDEN

072: LEUTERKOEK

073: TIJDDEEL

074: KAN DAT?

 

000: ODE AAN P.C.HOOFT

 

000: RUÏNE (Zen-poëzie)

 

000: BRUISEND ALS EEN BEEK (sonnetten over liefde& dood)

 

000: HAIKU’S

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

001

KWAAD OF KWIJT

 

Zelfs als ik kwaad of kwijt

En hoog’lijk verontrust

Midden in de strijd

Je zie, wees dan bewust

Dat ik het liefste

Kwaad of kwijt

Maar liever toch

Juist heel dichtbij

Jouw onmin had gesust

 

Want nu ik kwaad of kwijt

In ‘t diepste van de strijd

Wijl ernstig ongerust

Zie dat jouw schoonheid

Onveranderd blijft bedenk ik

Ik wil jou niet kwijt maar tot in

Eeuwigheid gekust.

 

002

(R)Apport(age)!

 

In de ochtend, als ik met mijn hond

Een Goedemorgen wek van menig leven

Geboren door het waakbevel

Van wrede waarheid, opstaan nu!

 

Een wekker waakt, en ergens gaat

De telefoon, neem toch es op

Helaas, hij slaapt

 

Slaap lekker, sluimerwekker

Maar hond en ik

Zien opwaarts, stijve nek

Morgenvlucht van wolken meeuwen

Naar ebgebied en weten

Weinigen zagen dit!

 

003

LUCIDE of vlak voor het slapen

 

Kijk, vlak voor het slapen

En zinnen zich vertonen

Als zinnen moeten doven

Geblust met jou, door jou en jij

Tevreden slaapt, later 

Kijk, vlak voor het waken

Als zinnen zich verpozen

Het dromen nog moet doven

Kijk

 

004

JUST AN ORDINAIRY LOVESONG

(the difference is, it’s for you)

 

Ik drink uit het glas waaruit jij hebt gedronken

Zit op de stoel nog warm van jouw lijf

Ervaar hoe je weg bent met belofte van weerzien

Besef dat ’k het liefst

De rest van mijn leven

Dicht in de buurt van je blijf

 

Nu dicht ik ‘t gedicht door jou verkregen

Eet hartstocht nog brandend, gevoel dat beklijft

Uitkijkend naar morgen. naar jou terugzien

Hoop dat je ‘t liefst

De rest van je leven

Dicht in de buurt bij mij blijft

 

Ik weet het, ik zou toch

Wijs moeten zijn

Emoties beheersend

Niets willen willen

Maar weet je, ik zou toch

Het liefst heel mijn leven

Naast jou willen staan,

Dicht bij jou willen zijn

 

Ik proef nog de zoen die jij mij hebt gekust

Voel onder mijn handen jouw soepele lijf

Zie in jouw ogen een blauw van belofte

En weet dat ik graag tijdloze uren

In jouw gezelschap verblijf

De rest van mijn jaren

Jouw timmerman, minnaar

Man, kok en bediende

Desnoods zelfs jouw slaaf wil zijn

 

005 

ALEXANDRIJN, MUZE MIJN 

 

Goedemorgen hartediefje, mooie Muze mijn

Verloren, toch weer opgedoken

Nu lig je naast mij, ogen licht geloken

Alexandrine, alexandrijn

Dag liefje, hartediefje, schoonste Muze mijn

 

Dag Muze, Muizenis, mooie Muze mijn

Mijn adem zal jouw lijf minzaam beroeren

Mijn kussen zullen jou vervoeren

Alexsandrine, alexsandrijn

Dag Muze, mooie Muze, mooie Muze mijn

 

006

GOUD

 

Ik hou van goud, ik hou van groen

Amber gevat in stralenbogen

In zonsopgang, in mooie kunst

In beelden van een fotograaf

Maar bovenal,

En dat vooral

Als ik onpeilbaar diep

Verzink in beider uwer ogen

 

007

GRUNNEGS GEDICHIE

 

Lutje wichie, mooi gezichie,

Loatgeboor'n kind van Zeus,

'k Wil altied wel bie die bliev'm,

Schitterende laidjes schriev'm,

k\Ken'k die altied tuut’n

Op dien mooie neus.

 

008

ZOUTE VLOEK

 

Terwijl de ouden ongeremd

Hun erger spuien

Hun kwalen blank en bloot

Op zee en havendijk

Uitvoerig banken

 

De vloed, eb, irritant getij

Voortdurend hen herinnert

Aan eeuwigheid waar zij

Geen deel aan hebben

Ziedaar de heimwee, ergernis

En zilt bejaarde tranen

 

009

KLAAR MET KIJKEN

 

Als ik klaar ben met kijken

Zal ik dan eindelijk gaan zien?

 

Is alles water, is alles lucht

Zijn leugens waarheid

Of is het al

Een en hetzelfde misschien?

 

010

PERPETUUM MOBILE

 

Langs wegen, water- asfalt- klinker- zand

En ongebaande paden

Zie ’k bijna altijd trotse bomen staan

Geen woord teveel, toch eigen taal

Die ik gebruik om u te duiden

Dat

Ook als ik er niet meer ben

Het leven altijd door zal gaan

 

011

ART OF CREATION/CREATION OF ART

 

Alleen uit niets kan iets ontstaan

Sta met leeg gemoed

Wees eenzaam en alleen

Met al die mensen om u heen

En schilder met uw hart en bloed

 

012

WIEKEN

 

De wieken van de tijd

Zijn tekens aan de wand

Geen kent zijn lot

Elk gaat zijn weg

Maar als u nu uw tijd verbeidt

Met wachten op wat komt

Zal alles wat u zeggen wou

Al eeuwen zijn verstomd

 

013

OUDERDOM

 

Hij kijkt de vlammen in 't gelaat

De rug gekromd, de benen stram

Door al het lopen zonder dat het hem iets baatte

Een lied, zijn vrouw staat in de keuken

Zij doet de vaat, het klinkt als alledag

Ze hoopt, haar man

Zal ooit een keer ontsnappen

Uit deze moede, moedeloze staat

 

Toch was het vroeger niet zo, kan zij heugen

Herinnert zich met glimlach dagen van weleer

Waarop hij haar beminde in de heide

Toen hij nog leefde, niet gegrepen door het vuur

Dat hem 't gelaat nu flakk'ren doet,

Laat keren in zichzelf,

Hij kan niet meer ontkomen

Aan deze zelfgewrochte leugen

 

Haar lied spreekt van de Heer, onwankelbaar vertrouwen

Hij hoort het met een wrange glimlach aan

Denkt het verleden, weet hoe hij Hem liet vallen

Staart opnieuw met dode ogen

In 't levend vuur dat hem ontbreekt

Beseft opeens met grote afschuw

Dat zij, die zingt vol godsbesef

Als enige om hem zal rouwen

 

014 

VOORUITGANG

 

De wereld was nog groot, nog onbekend

Ik was een kind, dus na het vallen

Volgden snel de eerste schreden

Ik reisde, keek en leerde

Dat al wat in mij was naar buiten werd gezien

Toch bleef één beeld mij bij

 

Vanwaar je ook maar kwam, zuid, oost

Ach, noem maar welke windstreek ook

Steeds was daar het symbool van nestgeur

Vroege herinnering aan waar

Ik ooit geboren was

Een toren, grijs in 't noorderlicht

 

Nu klopt dat beeld niet meer

Een honderd meters hoog gebouw, zelfs vele

Zijn dominant gegrift in 't netvlies

Ach, 'k word oud

Net als die toren in dat nevelige licht

 

015

BAROK CAFE

 

Vredig links klinkt Bach barok

En dompelt mij in stil Arcadië

Gedachten mijm'ren langs de noten-lijnen

Der melodie

 

016 

LANGS EINDELOZE WEG

 

Langs eindeloze weg

Zie ik van tijd tot tijd een teken

Een merk, boodschap uit verleden

Waarin de leugens waarheid leken

 

Nu 'k weet dat leugens zijn wat leugens zijn

De waarheid door de vele farizeeërs voetgetreden

Geen enk'le uitspraak of hij is al weer omstreden

Blijft mij het weten

 

017

DE POËZIE BERGT...

 

De poëzie bergt vele paden

Grillig als het schuim der brekers

Die als vanouds de kust bestormen

Zich wentelen voor zij de kust betreden

 

Ooit wou ik weten en 'k verraadde

Mijn jonge jeugd, werd bruut bedolven

Onder grote mensen waarden

Zoals het strand door woeste golven

 

En radeloos zocht ik naar dat wat weg was

In kleur en toon en woord, in beeld en daad

Al wat ik zag was grotere vervreemding

Terwijl ik schreef en sprak op maat:

Declameer uw ijdelheden, verwijder

Wat u toch al kwijt bent

De jeugd vervliegt als al die vroeg're jaren

Waarin u vreugde heeft gekend

 

Ik zocht het kind en vond de nestor

Ik zocht oorlog. het werd vrede

'k Vond dwaasheid waar ik zocht wat wijs was

Wat mij resteert is onbeholpen rede

 

018

NOORDPOLDERZIJL

 

Een recht stuk weg, einde kromming links

Verbleekt de zon met blikkerende schittering

Een boerderij gooit schaduw-zwarte vorm

Mijn land, voorbije regen, tegenlicht

 

De blik gericht op blauwgrijs, horizon

Ontwaar ik havik, jagend sloom, toch snel

Een dwarrelende leeuwerik, te laat voor lied

Het land, voorbije hartstocht, schemering

 

Daarna de dijk, fluorescerend maanfragment

En staren over water, urenloos

Laat ik gedachten reizen maken

Keer later weer terug naar 't land en tijdelijke hechting

 

019

TOEVALLIGE ONTMOETING

 

Ik denk haar een verleden, twee kinderen had zij

Het een geslaagd, het andere overlee'n

Haar man heeft haar mooi zwanger laten zijn

En is vertrokken, god weet waarheen

 

Dat is het beeld als ik de deur zie openen

En schuifelend met koffer een dame binnenkomt

Verleden chique, niets meer te veinzen

Een licht gesprek houdt op, verstomt

 

Zij zet zich aan een tafel, zuchtend,

Bestelt de toegeschoten ober dronken: “koffie graag”

Vraagt dan een vuurtje voor haar

Stamelend gedraaide sjekkie

Roert melk en suiker door haar koffie, traag

Spreekt ze tegen mij omdat ik naar haar kijk

En zij geen ander heeft

Om haar gemoed te ventileren

Zij tovert mij twee wonderschone kinderen

Een man op zoek naar wijde verre luchten

 

Dan is de koffie op, de sigaret gerookt

Voor 't naar haar luisteren bedankt ze een paar keer

Pakt weifelend haar koffer, kreunt naar buiten

Laat mij achter, 't hart doet zeer

 

De ober komt haar warboel op de tafel ruimen

Terwijl hij haar hoofdschuddend nakijkt: 't is wat, hè, meneer

 

020

FUTURA MORTE

 

Kijkend omhoog, de sterren tegemoet

Zie 'k wanden van gebouwen dreigend doemen

Mijn zicht op horizon beperkend

Als 'k walgend van mijn eigen arrogantie braken moet

 

O ja, ik weet wie al die huizen heeft gebouwd

Wie wegen aanlegt, kerncentrales lekken laat

De bom gegooid heeft, nee, keren zal niet baten

Voor mij, die nooit een ander heeft berouwd

 

Misschien dat ogen, mijn

Ooit nog de waarheid zullen schouwen

En 's levens een'ge reden zien, een mantel

Met botten en een schedel, bleek en koud

 

021

DE LIEGENDE ZON

 

Terwijl ik keek

De schuivende zon achter

Bloedeloze gevel

Werd plotseling helder

Alsof een harde wind een mist weg stormt

Wie eigenlijk bewoog

 

En 'k greep mij vast aan

Zekerheden terwijl ik keek

De schuivende zon

Achter bloedeloze gevel

Schijnbaar steen

Schijnbaar licht

Schijnbaar leven

 

022 

VERZET of ODE AAN FOUCAULT

 

Verzetten zal ik mij

Tegen allen die de schoonheid treden

Die ochtend- avondstond vervelen

Met achteloze rede

Verzetten zal ik mij

 

Mij weren zal ik me

Tegen alles wat mij troebelt

Mijn inzicht in de waarheid schaadt

Door domme dialogen

Mij weren zal ik me

 

Wie kent de moed van allen die

De schoonheid dienen

Wie kent die moed om 't hoofd te bieden

Aan vleesgeworden paradox

Die vormloos waarheid worden zal

Wie kent die moed

Ik ken die moed

 

023 

GEDICHT VOOR LUKKIEN (dec. 92)

 

Wie zal de weg zijn richting geven

Wie zal dit doen

Zal er de route onvergank'lijk zijn

 

Wie zal de weg zijn waarde geven

Is er iemand die dit weet

 

Wie zal de bloem haar schoonheid geven

Wie zal haar zien

Zullen haar kleuren onvergank'lijk zijn

Is er iemand die dit ziet

 

Wie zal het leven inhoud geven

Is er iemand

Is er iemand die dit weet

 

024

NOORDZEE

 

Een fiets, ik fiets

Door grijsheid, grauwe panden

Over blikkerende straten

Met in mijn hart een vaag idee

Iets is er gaande

 

Ik bocht mijn rijwiel

Om de kerk een windvlaag

Niet verwacht, daar meestal daar

Het windje in de rug

 

En dan opeens besef

Een geur, een in het weten

Weergaloos herinnering

Zilt ontvangen neusgaten

 

025

IK BEN HET DIE RECHT

 

Ik ben het, ik zeg ze, de verzen van gist”ren

Wat zou het, ik doe toch wat ik wezenlijk wil

En zijn er geen schouwers, geen hoorders meer over

Dan roep ik mijn lied”ren tegen het lover

Het luistert, het zwijgt en ik hoor het slechts knisp'ren

Als 't vuur van de helpoort het branden wil

 

Maar is er nog iemand die hoorder wil spelen

Dan speel ik de lied'ren terug naar zijn oor

En kan hij, of wil hij de waarheid niet velen

Of breekt er tumult los uit duizenden kelen

Dan moet ik, dan wil ik de schoonheid niet delen

Dan sneuv'len mijn zangen, dan gaan ze teloor;

Zo sneuvelen verzen en gaan dus teloor

 

026

VIJF VERSVOETEN

 

In memoriam, de Geste

 

Was er ooit een schoner, eed'ler streven

Van een man die zoveel jaren telde

Dat hij leunend, zuchtend onder kennis

Toch zijn berg beklom

Toch zijn leven inhoud durfde geven

 

Waar is dan dat schoner, eed'ler streven

Is 't gestorven onder groter' geldingsdrang

Zijn wij niet in staat meer om te geven

Zonder super-a-sociale dwang

Zonder dat het altijd moet

 

Eenieder gaat zijn eigen harteloze gang

Ondanks wat mij steeds het meest verwondert;

De beloning is zo onuitspreek'lijk zoet

 

027

HEIMWEE

 

Stil staat de maan de hemel ongekleurd

Twee mensen spelen met elkaar

 

Wat is er toch gebeurd dat ik van deze schone zaken

Niet écht heel vrolijk word

 

Ik stem mijn stem gebarsten door de tijd

En speel het lied der heimwee

 

028 

EXISTENTIE

 

Ik heb mezelf daarnet een bult bespaard;

Ik ging ter poepen

Zag verscholen

In één der duist”re hoeken

Een vrouwtjesmug

Zij zat daar of zij dacht:

Ik kom mijn tijd wel door

Langgepoot en kortbehaard

En zal niet eerder zuigen

Bloed of andere lekkernijen

Totdat de een of andere man

Met mij in 't voorjaar heeft gepaard.

Maar nu ik weet

Sla ik, nog voor zij heeft gebaard

Ach, ik heb mezelf een bult bespaard

 

029

STAD zonder RIJMWOORD

 

Ingezonden voor Pennestreken, september 1994

 

Mijn stad, uw armen zijn de groene weiden

De sloten uw aad'ren voor het nuchter bloed

De westenwind uw machtige gebaren

O stad, o stad waarin ik kan verpozen

Het centrum van een rechte spraak

Daar waar geen leugen wordt geduld

 

Mijn lief, mijn lief, ooit dacht ik dat een ander einder

't Geluk mij brengen zou en ik ging te reizen

Vond delicate schatten van de aarde

En het besef, er is geen groter goed

Dan schoonheid door een mens gewrocht

Maar toch ontbrak mij iets

 

Mijn lief, mijn thuis, blauw-grijze horizon

Mijn luchten en mijn lage landen

Hoe heb ik ooit gedacht het elders te gaan zoeken

Dan waar 'k geboren ben, mijn stad

 

030

GEDICHT VOOR OOG-IN-OOG

 

opdracht voor een fotoclub in Beijum, Groningen

 

Ik draaide, zocht de oorzaak voor dit wenden

Ontwaarde schaduw in een spiegelende plas

Aanblikkend mij alsof ik zelf niet was

 

Zij stond daar zwijgend, toch was er geluid

Was het mijn hart dat antwoord gaf

Op vragen die ik nimmer stellen durfde

 

En rusteloos begon mijn zoektocht

Naar 't land van vrede, liefde

En wist, Arcadië geheten

 

031

OUD NEDERLANDS STAFRIJM

(MET MODERNE AANPAK. dat wel!)

 

Veelal vruchteloos is 't pogen
Veelal franjeloos het doel
Zonder leed geen mededogen
Veelal vervelend het gevoel

 

Vaak vertwijfeld in 't gedogen
Zeg 'k wat ik veelal veins of voel
Zonder vreugd geen ziel bewogen
Vaker echter hou 'k mijn smoel

 

032

TROCHAEISCHE HERINNERING

 

Aan een knaapje, zwoel gekapstokt

Hangt een jurkje in mijn kast

Maar als ik de deur weer los doe

En mijn ogen dan niet toe doe

Dan is Leiden weer in last

 

Oh, dat jurkje dat jij aan had

Toen ik jou mijn liefd' beleed

Als ik nu mijn hart weer los doe

En mijn ogen even toe doe

ZIe ik jou, met lust bekleed 

Ach, dat jurkje dat jij uit had

Hangt nu verkreukeld in mijn kast

 

033

 

 

 

 

IK WEET NOG NIX

 

 

 

het gras is groen / een boom staat hoog / een huis is vaak van steen / een boterbloem is geel en niet veel groter dan een madeliefje / er klaagt een geit, mekkert om het hoekje van de schuur / iets knarst, dat is de waterput / de poezen slapen in 't kozijn / de zon staat stralend aan de hemel als een uit zijn as verrezen phoenix / de hond blaft / kat miauwt en nog steeds weet ik nix

 

034

LOF DER ONWIL

 

'k Ben niet geboren om te leven

'k Ben niet geboren voor een ander

Ik zal niet leven, eind'lijk sterven

Om, volgens gelovigen,

Het hemelrijk te erven

 

'k Ben niet geboren om te loven

Voor liefde is geen plaats in mij

Ik zal niet leven om te geven

Om, volgens anderen,

Nogmaals leven te beleven

 

'k Ben niet geboren, ben ik wel geboren

Is mijn moeder wel de draagster van deez' vrucht

Zal mijn leven, 't zijn waaronder ik nu zucht

Wel eindigen in vredig sterven

'k Ben niet geboren om te leven

Dus laat ik niet uw vreugd bederven 

Laat mij dan niet de wanklank van vanavond zijn

Laat mij dan niet mijn verzen lezen,

Nee, laat mij maar uw goden vrezen

En ze verzuipen in liters bier en wijn

 

Geef mij vergetelheid, laat mij niet bedenken

Dat al wat in mij is ook uit mij is

Al wat ik zie, brutaal aanwezig, soms ook ongewis

Mij nooit de veiligheid van zekerheid kan schenken

 

Nee, laat mij vieren, met u feesten

Tot schuim en dronkenschap mij op de lippen staan

Mijn waanzin lallend nergens op zal slaan

Mij voelen laat, ik ben beest onder de beesten

 

035

ODE AAN NANCY

 

Er was een middag, er was zon

En in die zon, daar danste zij

Er was een stoel en benen kruislings

Schonk hij haar Afrikaans drie-over-twee

Totdat zij niet meer dansen kon

 

Er was een nacht, dagheld're maan

En in die maan keek zij naar mij

Er was een bed en liefde kruislings

Schonk zij hem wat zij schenken kon

Totdat ik niet meer denken hoefde

 

Er was middag, er was zon

 

036

HELLE HEMEL

 

Vier voeten paarsgewijs in 't rulle zand

Zij praatte honderduit over het toeval

Of 't wel of misschien niet bestond

En had geen flauw idee waarin zij was beland

 

Vier voeten paarsgewijs door 't witte zand

Hij staarde over 't water, voelde eenzaamheid

Genoot wel van 't feit dat hij bestond

Maar had geen flauw benul, greep toen haar hand

 

En zij verstomde woordeloos, ontdaan

En stil vergleed de tijd voor deze twee

Zij plukten later bessen, bloemen, zelfs de dag

Totdat het tijd werd om naar huis te gaan

 

Vier schoenen vuil door 't natte zand

En even was de hemel open voor hen bei

Zo hel, zo ongekleurd, zo niets van alles

Vier voeten paarsgewijs door 't rulle zand

 

037

TELEFONISCH MISVERSTAND

 

Dag, liefste, mij, ik wou gewoon je stem eens horen
            Hallo...., zeg, moet je horen, 'k heb nu niet zoveel tijd voor jou
Dat geeft niet lief, als je maar weet, da'k heel veel van je hou
           Want weet je, met jou in mijn leven. is 't niet meer als tevoren


Ik wil niet meer als vroeger, 'k wil jou alleen bekoren
           'k Was nog maar nauw'lijks toe aan liefde & aan trouw
Want 'k vind het leven heerlijk, met jou als lieve vrouw
           Ik krijg de vage indruk, dat je me niet wil horen


Natuurlijk hoor ik jou, ik kan je zelfs verstaan
           Als je me goed begrijpt, wil dan eens naar me luisteren
Ik luister, schat, ik hoor je goddelijke stem
           Zo kan het echt niet langer, je dwingt me aardig klem
'k Zal mooie dingen in je liefelijke oortjes fluisteren
           Nu is 't genoeg, 'k gooi nu je spullen uit het raam.

 

038

ODE AAN DE DICHTKUNST

 

't Verscheiden van het licht

Belast mij enkel duist're paden

Waarop mijn voeten, zinnen, lusten, daden

Hun nutteloze leven leiden

Rest mij de schoonheid van 't gedicht

 

Daar ogen, mijn, de duisternis ontwaren

Als duivel zelf zijn mij die gaven toebedeeld

Als god zie ik, de mensheid speelt

Daar zij de hemel, hel ontkent

 

Rest mij mijn lezers, weinig slechts, te sarren

Met valse grijns op 't aangezicht

Rest mij de schoonheid van het lelijke gedicht

 

039

MOMENT OF IN-BETWEEN

 

Tussen daad, gedachte

Zit een duivel stil

Te wachten om

Genaad'loos toe te slaan

Op 't moment onzekerheid;

Schermt met woorden

Achterdocht en zekerheid en spijt

Opdat ik niet meer durf te gaan

Niets in de toekomst kan verwachten

an dat tussen daad, gedachte

Elke keer die duivel zit te wachten

Om genaad'loos toe te slaan

 

040

A PLACE REVISITED

 

Aan d'einder staan wat heuvels

Grijs-blauw gekoppeld aan een hemel

Ik weet een stad daar

 

En dichterbij, meander van een oude vliet

Wat duidelijker, de wilgen die haar zomen

Een duif schiet vleugel-klapp'rend weg

 

Van hier,. de plek waar ik nu sta

Getooid met vreugdevol' herinnering

Aan jou, hoe wij hier samen keken

Naar onze toekomst, liefde in het koren

Stad in de heuvels

Hemel op Aarde

 

041

VOOR HAAR DE WAARHEID

 

Glas-blauwe suikerpot, rook-glazen Shell-mok

De lepel met sporen van dagenlang thee

Het vuilwitte tafelblad, bierviltje van gist'ren

‘t Adres van een meisje, ontmoet in 't café

 

Hij was aan het zwerven, kwam toevallig haar tegen

Het klikte , zo dacht hij, en bood haar een glas

En zijn gezelschap, zij knikte instemmend;

Hij wist een cafeetje waar 't gezelliger was

 

Dus fietsten zij samen door stad en door regen

Naar 't volgende kroegje en dronken wat bier

En praatten en proostten, ze lachten veel samen

Tot 't sluitingstijd was, zo tegen half vier

 

Toen deelde ze mee dat een vriendje haar wachtte

En of hij nu boos was, hij schudde van nee

Maar betaalde de drankjes, nam zelfs geen afscheid

Ging terug naar zijn flatje en keek daar T.V.

 

042

DE ZOON VAN TOON

 

Een vriend van mij

Verried mij deze morgen

Toch was het niet

Het laagste, mij ooit aangedaan

Gaf mij de sleutel

 

Hij was gaan rijden (zei hij)

Omdat rijden prettig was

Zijn zoontje bij hem

Zag de zon ter kimme gaan

Zo rood ovaal, zei onbevangen

Kijk pap, de zon leunt op het gras

 

04 

NIET MOGENDE GEZEGD ZIJN

 

Maak uw verbeelding autonoom

Zij zal ter plekke onbeheersbaar zijn

En uit zijn jasje en uw geest in

Mateloze rampspoed groeien 

Maar halt... ho! Op mijn pad terstond gekeerd

Ik zal u met mijn wartaal niet vermoeien

 

Zoals de één de donder op de schenen tolereert

Een ander in een herfstzon stil geniet

Van wat gebeurt en wat soms niet

De dominee zijn weekpreek masturbeert

 

O, dol is hij op spuwend woordenstroom

Bevruchtend wat hij heeft verkracht

Zijn religieuze wellust schuilt fascistoïde macht

 

Een mens is niet krankzinnig als u ziet wat ik bedoel

Verbale onzin is wijsheid in evenknie's oren

Genot is de zonde na kunst pas geboren

Esthetisch verleden, ethiek het gevoel.

 

044 

ONWEER

 

Verderfelijk weerlicht, geboren op kansel

Geeft vrucht geen bestaansrecht

't Gevoel enkel schuld

Macht die misbruikt wordt

Perkt andermans vrijheid

Wijsheid is pauze, zien is geduld.

 

045

VAN A NAAR B

 

Mijn reis van pre-nataal naar post-bejaard

Schenkt dagelijks nog vele kansen

Om met de bruid of bruidegom te dansen

Zo wordt mijn levenslust verklaard

 

046

REQUIEM

 

Sommige dingen gaan vanzelf, sommige wel

Wakker als licht, slaap als je moe

Trek als je maag leeg, mooi als je blij

Sommige dingen gaan vanzelf

 

Sommige dingen gaan vanzelf, sommige wel

Ril als je koud, zweet als je warm

Rood als je brand, snee in je hand

Als je snijdt tijdens kook, als vanzelf

 

Traan als je weg, sneu als je jarig

Sommige tranen gaan vanzelf

Leeg als je ligt, ademloos

Sommige dingen gaan vanzelf, sommige wel

 

047

ROERMOND

 

Ik kan de schoonheid zingen van platanen

Hoe zij, geworteld op een Roermonds plein

Omringd door blik en stoel en tafel

Schijnbaar gelukkig zijn

 

Hun stam, in tinten afgebladderd

Lijkt moeiteloos de zware bladerkroon te dragen

Een zuidelijke hemel standvastig

In klassieke stijl te schragen

 

Maar ware ik plataan

En ‘k zou toch beweging kennen

Dan zou ik stapvoets mij terug gaan trekken

Tot aan een plek waar geen stoeltjes, tafels

Of nutteloze kathedralen staan

 

048

PEINTURE PERCEPTUELLE

 

Terend op herinneringen

Vullen blankgewitte vlaktes zich

Met beelden uit vervlogen tijden

Om geduldig vorm te geven

Aan filosofisch lijden

 

Hoe verder het doel

Hoe korter de weg

Gehaast het koninklijke schrijden

Door witgebleekte vlaktes

Manifesterend, met onverbloemd

De tekenen van traag verscheiden

 

049

GEDRAGEN DECLAMATIE

 

Volk, verlos U van de leugen

Volk, ontsnap aan religieus gebod

Wie zich bevrijdt - dat zal hem heugen -

Kent eindelijk de waarheid over god

En al zijn vunzige trawanten

Verzonnen in een middeleeuwse hel.

Waarin het vrije denken ton-gespijkerd,

Verkracht, verbrand, gevierendeeld

Voor „De Grote Liefde Gods“ moest wijken

Mens, bevrijd U van uw zelfgekozen lot.

 

050

MOMENTO MORI

 

Beschouw uw dood als lustig leven,

Uw trotse daden als profaan

Uw leugens als een nobel streven

Om beter met de waarheid om te gaan

Want weet, u hebt

Geen tijd omdat er tijd verstrijkt

Terwijl er klokken zijn gaan slaan

U hebt gewoon geen tijd.

 

051

TREDEN

 

Hoe wij gezamenlijk

De trappen van ‘t bordes

Afdaalden en

Onze stappen foutloos

In eenander pasten

Hoe ‘k in jouw

Richting keek en

Trots mezelf vertelde

Dat ik jou had

 

Dat ik jou had en niet

Verdiende maar toch

Dat ik jou had terwijl

De treden van ‘t bordes

Ons beider voeten

Naadloos

Naast elkander pasten

Ons dwingend

Begeleidend

En ik jou had

Of had jij, had jij

Mij

 

052

NEVELS

 

Zoals die keer dat ik wou weten

En niemand zei me hoe het zat

Zoals die keer met al die vragen

Niemand die het antwoord had

Zoals met al die foute bloemen

Niemand die me ‘t waarom zei

 

En ook die zoenen op het zandpad

Maar het vervolg was er niet bij

Domweg omdat ik niet wist

Omdat niemand het me zei

Dat kansen vluchten in een vage mist

Verdwijnen in een verre tijd

Als ze niet gevangen worden

 

Aldus worden ze gewist

 

053

SCHAAKSTUK VAN BABEL

 

 

Laten we de wereld bevrijden van de goden

Bevrijden van hun zware lasten

Die ons dicteren ons regeren

Ons beloftes doen van nooit meer sterven

Zoals hun eigen leugens een niet bestaande

Eeuwigheid beërven

 

Laten we de wereld

Bevrijden van onszelf

 

054

NOLITE TIMERE

 

Uitgeschilderd, uitgeademd,
Uitgevreeën, uitgeschreven...
Laatste loodjes zijn te zwaar
Droegen ze wat lichter kwam
Er nooit een eind
Aan dit verrotte, mooie leven.

Doodgaan immers is nog nooit
Door die vertrekt, beschreven.


‘t Gewicht van heengaan
Rust bij hen die node blijven
Leven wil te graag beklijven
Sterven echter duurt slechts even.

 

055

WACHTEN OP NU

 

... nog steeds herfst het hevig

En bloemen, spinnen, paddestoelen

Verheugd gespot, vereeuwigd

Voor de jongste dag

Of op z’n minst tot volgend voorjaar

Nu het zo hevig herfst.

 

Want nu het hevig herfst

Zegt bloem en spin en paddestoel

Dat ik moet wachten

Tot de jongste dag

Of op z’n minst

Tot het zo hevig herfst.

 

056

MEMENTO MORI II

 

Een vriend schreef: doodgaan doe je niet

Slechts wie jou liefheeft, sterft

Dacht ik, stervend aan je bed

Waar jij je laatste adem liet

 

En toen jij was ontsnapt

Moest ik het leven laten

Aan redeloze ademtocht

Nee, doodgaan doe je niet

Als wie jij liefhebt, sterft.

 

057

JODY

 

Ze schreef:

Dit boek is voor het oude licht,

Gaf vergezicht op dat wat zag,

Wat stroomt en was

In foto, woord en kwetsbaarheid.

En kwijt zijn, anders dan

Onnoemelijk verlies bij haar afwezigheid

 

058

TO BE OR NOT TO BE...

 

De enige verplichting van het leven Is

zichzelf in betekenis om te zetten

In welke vorm dan ook, door middel

van welk voertuig dan ook

Dat is haar enige doel.

 

Zelf heeft ze geen betekenis

Maar is ze een staat van zijn.

 

059

GEHEIMSCHRIFT

 

Terwijl de imbecielen rijmels schrijven in

Hun zelfgewrochte hel, het voorgeborchte haar

Geheimen prijsgeeft, moet waarheid, hoe vermetel

Ook gesteld, verborgen blijven, ja, die wel

 

Te groot is heden kruisgevecht, te zwaard hun messen,

Te scherp hun waarden, hoe hopeloos de overwinning.

Schijnbaar zijn de plussen min, de linksen rechts

De ondersteboven ook!

 

060

GODENKLETSPRAAT

 

Laten we de wereld kond doen over goden
Hoe zij, geboren in een zwarte nacht
Uit diepgaand zelfbesef van dood en lijden
Ons met een liegverhaal verblijdden
Over levenden en doden.

 

Hoe zij de twijfel keerden
Naar blindelings vertrouwen,
De wanhoop kantelden in hoop,
‘t Besef van droefenis tot vreugde
En duisternis betoverden naar ochtendgloren.

Hoe wij dat alles zelf niet konden,
Manco wetend, staande naast de groeve
Van hen die ons ontvallen waren,
Daar uren, splinters van herinnering
Nooit meer terug worden gevonden.

 

061

MOOI SCHILDERIJ

 

 

Zich niet bewust van hek en hemel

Van prikkeldraad en hond en boer

Sjokt heel de domme-koeien-kudde

Willoos het slachthuis tegemoet.

 

Kijk, Anna twee, die hoeft niet mee

Die mag onder de immergeile stier

Een mooie rol als kalfsvleesproducent

Is weggelegd voor ‘t stomme dier.

 

En Klaartje zes, bejaarde koe

Doet steeds een zieke rare sprong

Zich niet bewust van boeren-politiek

Of sloten waarin ouwe koeien horen.

 

Nee, gelovend in hun O-L-B

Wiens hond SS’er is op weide

Wrekende gerechtigheid voor wie zijn best doet

Voor de Heil’ge aardse Leider,

Sjokken zij, gewoon omdat ‘t zo hoort

Hun onverbiddelijke toekomst tegemoet.

Geen klacht, geen enkel rund heeft moed

En wie die wel heeft, wordt toch niet gehoord.

 

Onlangs gezien, mooi schilderij
Met weide, hek en vee
In stralende zonsondergang
Met achter hen de boer, én hond
En ieder lijkt tevree.

 

062

JARIG?

 

Ik zoek het lied voor nieuwe mei

Een and’re mij, in oude mei

Een mij die zal gehoord

 

Geen wanklank, eermaal moord

Geen klater laterom geluisterd

Verguld gezocht, sonant en consonant

Voor nieuwe, onvolprezen mij in mei

 

063

STALEN NEUZEN

 

Op perkamenten schoenen

Sluipen poëten door uw stalen werk’lijkheid

Slaan gaten in uw waan

Wanen gaten in noodzaak’lijkheid

Door u en medemens verwonderd

En daarom leest u niet, nee, daarom leest u niet

 

064

GEVALLEN MAN

 

Niet dat het toch iets uitmaakt

Niet dat het er toe doet

Niet dat verwijdering

Van wat je liefhebt altijd bloedt.

Niet dat ik niet

Niet dat ik moet

Wel dat het kraakt

En kniegevallend,

Struik’lend,

Stromp’lend verder moet

Wetend dat het wel

Voelend dat het niet

Aan een essentie heeft geraakt

 

065

ANAFORE GRENZEN

 

Grenzen, zeggen ze, zijn gevormd uit feodale zwaarden

Gevolgd door, zeggen ze, noodlottige geweren

Teneinde, zeggen ze, de vijand welgemoed te weren

En alle rampspoed, zeggen ze, noodzaak’lerwijs te keren.

 

Toch is dat, zeg ik nu, niet waar wat ze beweren

Dus richten ze op mij, zeg ik, al die geweren

Proberen ze, dat zeg ik, mij die les te leren

Ontdaan van, zeg ik, menselijke waarden

 

066

NUTTELOOS

 

Het heeft geen zin me straks te zoeken

Vandaag vindt U me ook al niet

Het heeft geen zin me te gaan zoeken

Mij missen doet U ook al niet

Zelfs als U denkt dat wel te doen

Mij vinden doet U niet.

 

Wel staat mijn naam, door ijdelheid

Onder gedichten zonder tal

In geschriften, zelfs

Een enkel schildersdoek

En zelfs, zelfs als de auteur

Van een schijnbaar nuttig boek

Maar vinden doet u niets.

 

067

OCHTENDZON

 

Een ochtendzon laat wolken blozen

Zet dorstg loof in vlam

Toont rozerode meisjes rozen

Alsof een ongewisse toekomst nu al kwam

 

Toch komt die niet, na al het morgenrood

Blakert dagzon hellevuur

Voorspelt een wrede, hete dood

In het finale uur.

 

068

SPINOZA’S GELIJK

 

't verscheiden van het licht

belast mij enkel duist're paden

waarop mijn voeten, zinnen, lusten, daden

hun nutteloze leven leiden

rest mij de schoonheid van 't gedicht

 

daar ogen, mijn, de duisternis ontwaren

als duivel zelf zijn mij die gaven toebedeeld

al god zie ik, de mensheid speelt

daar zij de hemel, hel ontkent

 

rest mij mijn lezers, weinig slechts, te sarren

met valse grijns op 't aangezicht

rest mij de schoonheid van het lelijke gedicht

 

069

KINDERSPEL

 

De golfslag van de wind

rukt zichtbaarheid uit wimpels

& vanen, vlaggen spreken het verhaal

dat altijd was en nooit gezien

behalve door

de ogen van een kind

 

De windkracht van de zee

spoelt zichtbaarheid langs lome dijken

basalt steunt het verhaal dat altijd was

totdat door ogen van volwassenheid

het sprookje van het kind

voor grotemensen-daad moet wijken

 

070

DOSTOJEVSKI‘S ERFENIS

 

Binnen verklaarde grenzen is schuld een douanier

en ongeduld een rem op stralend uitzicht

dus sterf, beambte in mij, laat geweten

niet hinder zijn voor blik op verre verten.

 

Want grenzen zijn een feodaal metier

en wreedheid is het loon voor anarchie

Verdwijn, verleden, laat het heden

uitzicht zijn op heuvelland Arcadië.

 

071

WOORDEN

 

Mijn dagen rijgen zich aaneen
verdwijnen horizonsgewijs
naar onbekende oorden
daar worden zij gebruikt
door anderen

 

Voor anderen:

geef me mijn tijd terug
de uren gaan te snel
voor onbekende woorden
die nooit worden herbruikt
door mij
maar wel door anderen.

 

Dus hang die woorden in de lucht
waar zij voor eeuwig blijven
ter ere, hen die opwaarts kijken
zo winnen mijn woorden
van mijn tijd
want zo moet kunst beklijven

 

072

LEUTERKOEK

 

Waar waarheid is verdronken

in zeer beschaafde leuterkoek

Waar zaken, uitgesproken zaken

verdwijnen om onuitgesproken hoek

Die hoek, waar niet zo brave jongens

hun expliciete tijd verdoen

met boeten voor hun vrijheid

Gerechtigheid is blijkbaar zoek

 

073

TIJDDEEL

 

Twee reigers wiekten zwaar in tegenwind

Op zoek naar verre ongeziene horizon

'k wenste dat ik met hen vliegen kon

Sterkvleug'lend zwoegen, eensgezind

 

Boden zij hoofd aan westenwind

Zwart-zilveren flits in winterbleke zon

Die steels door oude wolken breken kon

Dit alles ooit gezien door ogen van een kind

 

Nu droom ik weer een einder, helle euforie

Fluisterzwiepend' zwaanfalanx door helle hemelbaan

Ik kijk niet, nee, ik luister, ik hoor niet maar ik zie

Laat oude waarheid tot overdracht'lijkheid vergaan

Symboolvermogen, tijdelijke eeuwigheid

Schoonheid door mij ontsloten in splinter van de tijd

 

074

KAN DAT?

 

Het was een natte nacht,

met donderend geweld

sluimerde de tijd

ten einde raad

kroop onverwijld mijn

hersens in;

plots dacht ik:

‘t sluimert niet en

helemaal al niet

met onbeheerste kracht,

wat niet bestaat

dat kan toch niet...

dat kan.

 

75

VOOR LC

 

Ik ken het land waarin gij leeft

Bekend is mij de droogte van woestijnen

Waar literaire wolken snel verdwijnen

Verdampt in menig misverstand

Ik ken dat land

 

Gescheiden door een vliet

Smal als de route van een dier

Dat vluchtend voor de mensendaad

Zichzelf schuw laat verdwijnen

 

Ik ken die vliet, diezelfde vliet

Waarin de dochters van veel groter goden,

Najade’s, schoon van lijf en leden

Alleen aan hen zich tonen die geloven

 

Zo toont ook waarheid zich in beeld

En inhoud van de vrije mensengeest

In neerslag van eenieder die in onredelijke

Knechting geen redelijke rede vindt

Ik ken het land wat gij wanhopig deelt

 

Toch:

 

niet is die droom realiteit

En mede niet een reden van des waarheids zijn

Alsook het land niet waar hij is ontsproten

Maar waar de woestenij, door mij voor u ontsloten

Zich in haar schoonheid toont

Daar ligt de wrede werk’lijkheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ODE AAN P.C.HOOFT


I


waar vroegertijds de liefde werd bezongen
wordt hedendaags de zaak luchthartig afgedaan
verdien jij wel genoeg, heb jij een goede baan
uitsluitend redenen door ratio bedongen

werd in vroeger eeuwen de hartstocht afgedwongen
door romantiek en zinlijkheid, welaan
-nu drupt dramatisch een treur'ge, trieste traan-
zoals de ouden pijpten, zo zingen niet hun jongen

O, rijkdom van voorbije, ouderwetsche tijden
laat dichters van vandaag zaak'lijkheid vermijden
laat hen weer spreken in overdrachtelijke taal

laat hen weer zwaar-bombastisch schrijven
over hun Venus, hoe die voor eeuwig kon beklijven
zoals de wielewaal, de mus en nachtegaal

 

II

 

zoals de wielewaal, de mus en nachtegaal
heeft ook de liefde geen bestaansrecht zonder leven
en vice versa , maar da's mij om het even
als ik verzucht: “dat Amor uit zijn hemel daal'

om mij te wonden met de oudste kwaal
die mensen lijden zonder ziek-koortsachtig beven
waarvoor dapp're helden roemrucht willen sneven
poëten verzen schrijven”, maar banaal

zijn dichterspogingen tot stervensdood gedoemd
worden hun makers namen in toekomst niet geroemd
als die niet zijn geënt op wezenlijk verhaal

op bron van inspiratie, verrukkelijk vrouw'lijk wezen
wier woord zo moeilijk, zo hardvochtig is te lezen
zo wisselend haar weg, zo letterlijk haar taal

 

 

III

 

zo wisselend haar weg, zo letterlijk haar taal
dat kunstenaars 't woord maar zelden kunnen vatten
zodat in menig kroeg men ze zich ziet bezatten
veelvuldig offers plengend in Bacchus' wijnbokaal

dus nuttigen zij zo gretig menig alcoholisch maal
bevechten bruisend bier als hongerige ratten
dat later zij weer reden hebben om te matten
met bloed & blauwe ogen - de lafaards aan de haal

die houden niet van vechten, zeker niet om een vrouw
die lopen weinig blauwtjes, staan zelden in de kou
maar hebben ook nog nooit een liefdeslied gezongen

zij spreken overdrachtelijk in hoofse poëzie
dragen nooit iets vrouwlijk-schoons op mannelijke knie
zoals zij zijn gebekt, zo spreken ook hun tongen

 

 

IV

 

zoals zij zijn gebekt, zo spreken ook hun tongen
hun poëzie draagt nooit de passie, nooit de klacht
hun eenzaamheid vertoont zich midden in de nacht
hun lied wordt echter nimmermeer gezongen

zij worden wel per stuk betaald, zo hebben zij bedongen
het brood moet op de plank, dit wordt alom verwacht
als je moet leven van de steun ben je al gauw verdacht
maar er komt valse lucht uit harteloze longen

doch nooit zijn zij geweest in Amor's heil'ge sponde
daar zij door 't alaanwezig kwaad worden gedreven
in het allerergst' geval zien zij het zelfs als zonde

zij schrijven wat een levend mens nooit schrijven zou
hun ziel is zwart, hun geest voor immer in de rouw
geluk wordt zelfs in voorspoed aan hen toch nooit gegeven

 

 

V

 

geluk wordt zelfs in optimisme aan hem toch nooit gegeven
die 't najaagt, zoekend door 't verleden dwaalt
waar menige herinnering door vruchteloze hersens maalt
en hoop op beet're toekomst rampzalig hen doet leven

dus dwalen zij koortsachtig door nachtelijke dreven
hopend dat de waarheid weldra in hen nederdaalt
zodat hun sombermoede leven dag na dag verschraalt
tot aan het onverbidd'lijk eind, dat is het enige gegeven

maar gelukkig is de man die vrouwen kan bewonderen
die lichaamsronding als een godd'lijk landschap ziet
waarin hij eeuwig zwerven kan en wil

een duif zoekt onvermoeibaar eigen til
vergetelheid ligt in dat verr’ verschiet
waar vroegertijds de liefde werd bezongen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RUÏNE

 

 

EEN VERSLAG

 

OF

DE ERVARINGEN VAN

EEN BERGBEKLIMMER

 

geschreven 1992

bijgewerkt 1995

door A. Sandee, Groningen

 

 

RUÏNE

Als straks de rook is opgetrokken

van 't bouwwerk dat mijn leven was

waarin ik deed wat

iedereen van mij verwachtte

en zo zichzelf kreeg opgediend door mij:

een dienaar van zijn eigen

leven en van het uwe

terwijl ik zelf alleen maar

fluist'rend toe kan kijken

hoe één na één de muren van mijn rijk

wankelen daar de wil en de idee

waarop zij steun en grondvest zochten

mij verder nog ontbreken

 

Straks:

Wees welkom stilte, zie uw zoon

die zich als nooit tevoren

terug zal trekken in een ivoren toren

gebouwd uit pure leegte

en spiegels zonder glans

met boven op een tuin,

een hof gespeend

van groei en bloei en licht

geen kleuren in die tuin

alleen maar het gezicht.

 

Ik had een wilg gepoot, een jonge loot

in één jaar zo gegroeid

dat ik hem dit voorjaar al weer bij moest snoeien.

Kijk, je kunt wel wachten op een eik

je baard groeit duizend meter lang

terwijl, enk'le meters maar

van mij verwijderd,

gescheiden door mijn vensterruit

waardoor ze mij wel zien,

niet horen, koolmezen,

man en vrouw tezamen,

vliegjes pikken uit mijn wilg.

 

't Is koud hierboven, een stille wind

doet mij de botten snel verkillen.

Ik huiver en ik schuil

maar de wanden van mijn hut zijn dun

en de kleur die laat zich raden.

Het is geen steen of stro

waarvan ze zijn gebouwd

maar als de herfstwind op zich wachten laat

is er hoop op een snelle lente.

 

Ik heb altijd mijn best gedaan;

toen 'k jong was is mij altijd verteld

dat ik alleen de waarheid maar mocht zeggen.

Nu 'k ouder ben heb ik al snel begrepen;

de waarheid is het spoor van de naïeven.

 

Je wordt niet rijk als je verteld

wat je van de ander vindt.

Geld alleen maakt niet gelukkig

maar ik zou ook wel eens vermogend willen zijn.

 

Ik heb een oude schrijfmachine

maar eig'lijk is die niet van mij.

Ik werk erop maar als mijn tweede vrouw

hem weer terug wil hebben of 't machine-lint is op

dan zal ik moeten schrijven met een pen.

Dat maakt niet uit, want als je weet

is ook een potlood goed genoeg;

maar ik zal nooit meer schrijven met mijn bloed.

 

Je kunt wel schrijven wat je wilt,

je kunt wel zuchten in je oude hut;

de koude wind waait eenzaam

om de hoge top en op de weg

reist nu geen enk'le sterveling.

Hoe zou hij ook, hij kent de weg niet eens;

in 't westen hecht er geen geloof

aan wat de ouden zeiden.

Zo zal je nooit geraken

op 't punt van verlichting.

 

Het ware schrijven heb ik geleerd

zonder wetten en zonder scholen

want waarom zou ik, de muziek

die in het woord verborgen is

kan toch alleen maar

door een enkeling begrepen worden.

Een valse toon is als een vloek

maar de waarheid klinkt hemels.

 

Ik had een boek geschreven; een vriend zei,

't is een gids waarop je kunt vertrouwen.

Maar toen ik het wou laten publiceren

zei men, 't is niet commercieel

dus onder dankzegging retour.

Die vriend, die kwam ik laatst nog tegen:

hij zag me niet meer staan of lopen.

 

Er staan wat planten voor mijn venster.

'k Verzorg ze, geef ze mest en water.

Ze doen het goed maar als ik ze

naar buiten zou verplaatsen

zou er al gauw

geen leven meer in zijn.

Dat heb je als je leven

verplaatst naar streken

waar het uit zichzelf niet heen zou gaan.

Je hebt dan snel verzorging nodig.

 

Er is een hut voor mij gebouwd:

de wanden dun, de deur is

enkel een gat, een ieder

kan erdoor naar binnen.

Toch is er niemand in mijn hut.

Hoe vrijer je wordt met al je gaven

des te wantrouwiger men wordt.

De hut, voor hen gebouwd, heeft klaarblijkelijk dikke muren.

 

Er zijn er wel, die hebben kleden in hun huis.

Zelfs als ze schreeuwen

kun je ze niet horen

maar als ik mijn mond eens opendoe

is er gelijk weer iemand die me zegt

dat wat ik zeg wel waar is

maar niet praktisch.

Zo is er toch een reden voor mijn armoe:

de waarheid heb ik nooit verzwegen.

Dus hangen er geen kleden in mijn hut

maar als ik spreek word ik gehoord.

 

Je hebt wel van die mensen

die denken dat ze alles weten,

die denken dat voor elk probleem

er wel een oplossing zal zijn.

Wat zij vergeten is dat er maar één Weg is;

zoek je die weg dan kom je mij

vast wel eens tegen.

 

Ik lees hier dat er wetten zijn

waar ieder mens

zich aan moet houden en

loop je naast hun ene weg

dan zal je snel je voet verzwikken.

Een stok om mee te lopen is je doel

maar je kunt er ook heel goed

de slangen mee verjagen.

 

Er zijn er wel die zeggen:

je moet eens and're dingen schrijven

want wat jij zegt is

dan wel waar maar't is niet iets

wat men zo graag wil horen;

dan kun je ook een keer iets moois

voor jou of voor je hut gaan kopen.

Geen sieraad is zo mooi

dan dat het overtreffen zal

wat er in mijn hut

aan de dunne wanden hangt.

 

Als je alleen met leugens

je geld moet gaan verdienen

is de waarheid niet ver meer.

Maar munten die op zo'n manier

jouw voorraadkast gaan vullen

trekken gelijk weer ratten aan.

Zo heb je na een week

al weer niets om te eten.

 

'k Ben laatst eens om te kijken

de berg weer afgegaan

maar wat ik zag laat zich met een pen

niet meer beschrijven.

Keer toch terug van dit heilloze pad

waar een ieder enkel vindt

wat hij niet nodig heeft en zoek de ene Weg.

Slechts in de waarheid ligt de ware voeding.

Pas als het schip echt zinkt

en er geen hoop is op overleving

zal het duidelijk zijn wie de ratten waren.

 

Nu de muren vallen van wat ik had gebouwd

komen uit de voegen die de stenen hielden

de leugens weer tevoorschijn.

Zo zal er na de zomer een herfststorm nodig zijn

om in het voorjaar

met een schone lei weer te beginnen.

 

Buiten mijn venster

is een grote nis

waarin de wind vrij spel heeft;

hij scheurt aan de nog jonge wilgen

die ik een jaar geleden heb gepoot.

Maar omdàt ik ze heb gesnoeid

zullen ze ook dit wel overleven.

Zo gaat het dikwijls, door te snoeien

krijgt een nieuwe bloesem kansen.

 

Als een paardebloem tussen de struiken wortelt

worden de stelen eens zo lang.

De gouden kronen werken zich

ondanks alles naar het licht.

Pas als een mens echt dorst heeft

weet hij feilloos het water te vinden;

als je geen water nodig hebt

kan een wichelroede ook niet werken.

 

Op het pad naar mijn hut

staat een oude boom naamloos;

zijn wortels reiken naar het water,

zijn blaad'ren zijn getuigen van seizoenen.

Ik vraag niet hoe die boom heet

maar op de weg naar mijn hut

moet je gedwongen een omweg maken.

 

Ik was als leerling wonderwel, toch

kan ik nu geen cent verdienen.

Mijn voorraadkast is leeg,

hoe valt dit nu te rijmen?

Zo krijgt menigeen

die het niet verdient

door afkomst en door schone schijn

de dikste appels toegeworpen.

Helaas, nu kan ik weer gaan bedelen.

 

Het is als met de eenden in de winter.

Het brood, gegeven door moeders met kinderen

is bestemd voor alle eenden.

Toch wordt in 't voorjaar de vrouwtjeseend

door al die vette woerden verkracht.

't Is toch zo duidelijk;

waar mensenhanden zich met de natuur bemoeien

daar gaat het vast en zeker mis.

 

De waterige zon is lang niet sterk genoeg

om oude botten te verwarmen.

Ik huiver in mijn oude hut,

de wanden dun als sitspapier.

De deur een gat, geen treedt hier in,

alleen wat muizen spoken.

De voorraadkastdeur staat wijd open.

Je kunt pas denken als je vrij van honger bent.

 

Vanmorgen liep ik door de nevels

en zag de wilgen treurig takken zwiepen,

zij kenden reeds de komst

der kou en harde wind

maar ik had valse hoop op warmte.

 

Een mens wenst al te vaak

wat toch niet moog'lijk is,

een hond blijft niet erg lang

bij een gesloten vuilnisvat.

Waarom wacht ik dan steeds op vrienden?

 

Hier zit ik dan tevreden op mijn berg,

toch is 't niet zo

dat ik vrijwillig ben gegaan.

Mijn vragen waren mensen

veel te lastig dus

joegen ze een oude man

in schijnbaar zelfgekozen eenzaamheid.

Nu zeggen ze, daar zit die man

die nooit naar ons wou leren luisteren.

Maar ik, ik las de oude woorden

en wist al bijna van tevoren

dat ik die berg beklimmen zou.

 

Ik schrijf mijn verzen

op een oude typemachine

zolang ik haar bezitten kan.

Daarna zal ik het met pen of potlood doen.

Want wat heeft het voor nut

als mijn gedachten als een meeuw

voorbij de witte wolken dwalen?

Ik zet mijn onzin tegenover uw geraaskal

en weet dan waar de waarheid schuilt.

 

Men zei mij steeds, je moet je netjes kleden

dan krijg je vast een goede baan.

Ik kocht een pak van 't laatste geld,

ging om een baan te vragen.

Toen zei men mij,

wij kijken niet naar nette kleding.

Wie kan hier ooit nog wijs uit worden?

 

Ik kan goed werken,

heb een scherp verstand,

waarom zit ik dan op een berg te kniezen?

Niemand wil iemand die de waarheid dient,

zij willen slechts een dienaar voor zichzelf.

 

Ik heb in mijn kleine hut een spiegel,

kijk daar af en toe eens goed in.

Ik zie dan hoe de jaren tellen;

oud worden op een berg is hard

want niemand kan de weg naar boven vinden

om soelaas te bieden aan mijn eenzaamheid.

 

Je kunt ze ieder voorjaar wel weer zien;

de jonge meiden die hun monden

inviterend verven en met hun lichaam o, zo kundig draaien

zodat de mannen als geile honden naar hen kijken.

Hun houding mag dan wel bevallig zijn,

ze blijven toch maar vrouwtjesmensen die

hun ware ik geweld aandoen.

Geen middel blijft er ongebruikt zolang de macht de hoofdprijs blijft.

Maar als een hete zon een vroege krokus schroeit

is er geen tijd meer om te zorgen voor het nageslacht.

 

Ik daal nog wel eens van mijn berg af

en zie hoe mannen jonge meisjes paaien.

En als het ze gelukt is

zie je ze kijken naar hun vrienden;

kijk eens, ik heb het voor elkaar.

Wat zij niet weten is dat in 't liefdespel

al snel de overwinnaar de verliezer wordt.

Dan kan hij later in 't café

zichzelf weer gaan bezatten

en klagen tegen een publieke vrouw

dat 't vrouwtje thuis

hem weer eens niet begrijpt.

Maar zij begrijpt het wel,

hoeren en nette vrouwen blijven zusters;

zo zorgen ze voor elkaars broodwinning.

 

Ik zie ze vaak geheime lachjes delen,

dan doen ze of ze alles weten,

behandelen hun echtgenoot als kind.

Maar als die mannen niet

in opstand komen daar

zij nog steeds geloven wat

hun moeder vroeger zei

vragen zij erom bedrogen te worden.

En wordt hij eindelijk verstandig

zegt heel de vriendenkring

dat je zo geen vrouw behandelt.

Dan is hij wel zijn vrouw en vrienden kwijt

maar is hij ook weer vrij te reizen.

 

De weg omhoog is

heel vaak hard en lastig

maar soms kom ik hard lachend boven

om wat ik bergafwaarts heb gezien.

Dan ben ik blij en weet ik zeker

dat ik het goede pad heb uitgekozen;

hier valt geen vrouw mij lastig

met kijven over iedereen en alles.

Gelukkig dat ik doorgekregen heb

hoe zij hun spel gewoonlijk spelen.

Nu kan ik zitten in mijn arme hut en,

als ik wil, zelfs dronken worden van het lachen.

 

EPILOOG:

 

Nu zit ik vredig in mijn hut,

dat is niet altijd zo geweest;

ik kijk naar buiten en bedenk

dat na een wilde zomer

altijd een rustig najaar komt.

 

 

bewerkt 27-06-2000

 

 

 

 

BRUISEND ALS EEN BEEK

door Alex Sandee

 

SONNETTEN OVER LIEFDE EN DOOD

INHOUD

 

01 VERDWAALD

02 GAIA

03 GEGROET, NEMESIS

04 DE OEVER

05 VAN KWAAD TOT ERGER

06 VOGELENZANG

07 DAS GEWITTER

08 OVERDENKING

09 GLIMLACH-SONNET

10 GODENSPEL

11 GLIMLACH-SONNET 2

12 HERFSTSONNET

13 EEN VLEUGJE VROLIJKHEID

14 WINTERSLAAP

15 OP WEG

16 VRAAGTEKENS

17 GAIA REVISITED

18 TOE

19 TROOST VOOR EEN MAN DIE OUDER WERD

20 ONDANKS

21 ANTI-SONNET SONNET

22 BIJ VOORBAAT

23 KOMEN EN GAAN

24 HET DOEL

25 TELEFOONGESPREK

26 KEERZIJDE

27 HET DAPPER HART

28 JAZZ

29 MAANZIEK

30 PRELUDE

31 NACHTVAL

32 TIJDDEEL

33 DOOD AAN DE DICHTERS

34 WAT IS DAT IS

 

 

door Alex Sandee

VERDWAALD

 

ik sprak met haar, zij nam mijn hand en leidde mij

rond in het hemelse vertrek dat tomeloze liefde heet

geen ademhaling daar die ik ooit weer vergeet

en wijl ik rustte - weer bij zinnen - zeide zij

 

Mijn lief, mijn lief, ik heb gewacht en (ver)beidde mij

terwijl ik and're levensvreugden meed

en al mijn wakes in somb're overpeinzing sleet

Plots werd ik wakker -dacht- zij verleidde mij

 

tot daden waar een vaste grond voor mist

en 'k gaf mij over aan bevrediging der lusten

terwijl ik lang al wist dat dat verderfelijk was

De daad zelf niet, wel 't misbruik - dus ik las

opnieuw mijn filosofen, herbetrad de kusten

van 't land der wijsheid, dat 'k des mensen wist

 

GAIA

 

Er was een droom: ik dwaalde door een woud

En Gaia zelf, getooid met bloemen, leidde mij

Liet mij geluidloos water horen, klare bron

En in die bron daar baadde zij

 

Er was een nimf: ik zag haar en mijn hart

Al jaren lang versteend, hield op met kloppen

En smolt, een redeloos verlangen mij geboren

Maar toen 'k mij toonde vluchtte zij

 

Nu loop ik zoekend door seizoenen

Met in mijn hart de kreet: Nereïde

Nimf van bron & woud, toon me

Het hemelse gerecht dat rust en vrede heet

Opdat ik niet meer zwerven hoef en weet

Mijn hart de bron, de nimf mijn Goddelijke daden

 

GEGROET NEMESIS

 

Tevreden zal ik zijn met alle Goddelijke gaven

Al zijn ze dan aan and'ren niet gegeven

Zodat ik, wand'lend door dit kostb're leven

Met mijn verwanten slechts kan spreken in hun graven

 

Ik ben content met alle woorden die mij laven

Door ondergang & dood zijn die mij ingegeven

Het leven is daarin niet vreselijk bedreven

Deugd, waarheid & verstand zijn daar slechts witte raven

 

Want dwalend door de velden van de Hoge Heren

Die van hun Godenberg uiterst vermaakt beschouwen

Hoe wij het erfgoed onzer kinderen beheren

Ja, zelfs verkrachten; wat zal het ons berouwen

Als niemand meer hun woord ziet als verhaal

En ik de bitt're inhoud drink uit Nemesis' heil'ge graal

 

DE OEVER

 

Zwart-grijze stammen rezen bijna verticaal

Geweken door een welhaast-altijd sterke westenwind

Zodat het leek alsof de einder naar het oosten afliep

Een schip trok, zwaarbeladen, ploegend door 't kanaal

 

Ik wachtte en het leek of ik ten enenmaal

De waarheid zag, onschuldig als een kind

Opeens weer doorkreeg waar het allemaal

Om draaide; ik sprak geen woord, het was of andermaal

 

Een Stem uit Goddelijke Hoogtes riep

Die mij het gras voor d' voeten maaide

Zodat ik stom, onwetend naar het water liep

Ik keek daar toe hoe 't water kolkte, draaide

Toen 't schip voorbijvoer en de Schipper riep

Naar mij, maar 't was de wind, Zijn Woord verwaaide

 

VAN KWAAD TOT ERGER

 

Opdat ik niet van kwaad tot erger val

Opdat ik niet bij alle and'ren hoor

Niet mijn partijtje meezing in 't vervalste koor

Opdat ik niet verdwaal in een mistroostig dal

 

Opdat ik niet in drank of drugs verkomm'ren zal

Omdat ik luist'ren wil met een aandachtig oor

En me niet afkeer van waarheid en van woord

Opdat ik niet meer in de oude fout verval

 

Te denken dat dit leven als een slang

Zich bijten zal in eigen staart en dan in schijn

Zich zal verlengen onder Gregoriaans gezang

 

Nee, laat mij liever heengaan zonder pijn

In wetenschap dat ik mijn leven lang

U nooit zal hebben toegekeerd mijn tweede christelijke wang

 

VOGELENZANG

 

Terwijl de ochtend krakend, zuchtend in beweging komt

En voor mij uit een lange dag zijn grijze loper legt

Een vroege merel opgewekt zijn onvolprezen zegje zegt

't Dagelijks lawaai de stilte van de nacht verstomt

 

Terwijl hij kreunend, hijgend het verfoeilijke moment verdo(e)mt

Dat gisteren juist hier het moede hoofd te rusten werd gelegd

Terwijl nog lang niet alles tussen beiden was gezegd

En hij gezworen had, zichzelf, in haar niet echt tevreden komt

 

Waar zijn de dagen, onbezorgd, die als een prachtig lied beginnen

Waarop geen misklank ook het ondergaan der zon verstoort

Waarop een ieder zich ten volle kan bezinnen

Of hij, of zij, de merel die zijn eigen lied niet hoort

Is uitgesloten, met deze dag het nieuwe leven zal beginnen

Zodat geen daad van gist'ren de kans van morgen nog verstoort

 

DAS GEWITTER

 

De hemel braakt een spuwend, flakk'rend duivelslicht

Laat maagdelijk nieuw leven tot ontwaken komen

Dorstlessend water valt op grote, grauwgebogen bomen

Spoelt stof en vuil van 't Aardse aangezicht

 

Verderfelijke donder graaft zich na dit helse licht

Een schuilplaats achter rotte, boze dromen

Wanstaltig thuis van monsters & afzichtelijke gnomen

Die met hun daden zoveel schade hebben aangericht

 

Nu scheurt de hemel blauw, het grauwe grijs verdwijnt

En najaarskleuren zijn opeens weer helder fleurig

Alsof het nakend voorjaar zich al even toont

De optimisten onder ons alvast beloont

Voor het vertrouwen, and'ren blijven echter treurig

Zolang de herfstzon naar een koude winter schijnt

 

OVERDENKING

 

Wat wintergroen, nog bessen van een eertijds najaar

Toets van kleur in sombergrijs geheel

Een meeuw, luchtstilstaand, stormwind is zijn deel

In deze beeltenis, gezien mijn ogen, daar

 

Schiet een havik, prooiklauwend grijpensklaar

Voor vederbol; wat zwart, wat wit, wat geel

Wordt wreed geplukt, een kreet uit vogelkeel

Deez' koolmees heeft het niet gehaald, het voorjaar

 

Toch voelt mijn hart geen steek, ik zit en observeer

Hoe de natuur haar tiranniek verloop heeft

Waarin hoogmoed, onvoorzichtigheid

Tot menig voedzaam offer heeft geleid

Besef dat slechts de mensheid moordt, steeds weer

Zie 't nutt'loos bloed dat aan mijn handen kleeft

 

GLIMLACH-SONNET

 

Mijn lief, mijn glimlach ziet uw schoonheid

Uw schoot, geborchte voor mijn eeuwige verlangen

De liefdevolle troost, door mij in u ontvangen

Laat mij hartstocht'lijk minnen tot in eeuwigheid

 

Mijn lief, mijn hart vertoornt in kilheid

Zo gauw als u besluit dat 'k zit gevangen

Een kille gloed ver-ijst mijn beide wangen

Als 'k in u wegzink tot vergetelheid

 

Maar toch, als 'k blik in beider uwer ogen

In volle onschuld blij naar mij gewend

Waarin ik baden zal in lieflijk mededogen

Dan smelt ik eens te meer, een hemel mij geboren

Een zoete lofzang klinkt mij in de oren

Vol harmonie, voor mij tot nu toe onbekend

 

GODENSPEL

 

En wederom heeft Amor mij 't geschenk gebracht

Waar ik geen raad mee weet, 't is of de duivel er mee speelt

Hij die verwondt, nooit bitt're wonden heelt

Mij achterlaat, mijn ziel vernederd & verkracht

 

Ik hoor hoe Lucifer nu in zijn vuistje lacht

Sarcastisch wraakt dat Venus niet de liefde met mij deelt

Zorgt dat de hartstocht mij niet keelt

En doodt, mij ledig achterlaat, nee, er wacht

 

Op mij een schoner, wreder taak: ik zing mijn lied

Zoek balsemende woorden die wonden kunnen helen

Een bron laaft nooit de dorst van hem

Die haar gevonden heeft, haar goddelijke stem

Zal klinken uit des nymphen kelen

Ik ben een nederige dienaar, de Muze zij gebiedt

 

GLIMLACH-SONNET (2)

 

Om mijnentwil, ziet af uw glimlach

Om mijnentwil, sla neer uw ogen

Heb toch met mij barmhartig mededogen

En laat mij vredig slapen tot de dag

 

Om mijnentwil, wat moet ik met uw glimlach

Om uwentwil, laat mij dat niet gedogen

Ik draag uw liefde op ontelb're regenbogen

Maar laat mij slapen tot de nieuwe dag

 

Want weet, eenmaal uw liefd' betoond

Word ik uw slaaf, een dienaar van verlangen

Butler van uw goedertierenheid nee, 't wordt tijd

Dat vanaf nu ik ieder hartstocht'lijk uur verbeid

Dat 'k u herken in duizenden gezangen

Waarna mijn liefde eind'lijk wordt beloond

 

HERFSTSONNET

 

Het najaar is gevallen als ook het lover van de bomen

Rijp fruit is lang geleden al geplukt, geraapt

De laatste warme dag uit mijn herinnering gekaapt

Aanwezig enkel nog in donk're, zoete dromen

 

De zomer is verdreven, de laatjaarsstormen -ziedend- komen

Gevolgd door bitt're kou, hardvochtig nu de winter naakt

Met peeg'len wambuis en met ijzelen blazoen en lichtgeraakt

Besef ik dat er weinig is waaraan ik kan ontkomen

 

Dus ik vlieg uit, betreed de donk're duist're paden

Der poëzie (die mij zo onvoorstelbaar dierbaar is)

En droom een voorjaar, boterbloem & gele lis

 

Diepbegraven liggen al die bloemgewaden

Te wachten op het lengen van de dagen

Boden van nieuw leven ondanks deez' winterdroefenis

 

EEN VLEUGJE VROLIJKHEID

 

Klare motieven scheuren mijn onzekerheid

Doelen dwalen mij naargeestige ravijnen

Vreugd' & spontaan gelach zullen hier snel verkwijnen

Gebrek aan zonnestraal en klare helderheid

 

Schijnt grond voor zwartgetinte somberheid

Treurwilgen, vlietgezoomd, verschijnen

Traag door transparante mistgordijnen

Schuld voor verlangen naar schijnb're zekerheid

 

Er is geen weg te gaan, geen doel om na te streven

Geen richting, wat een ander ook maar zegt

Geen stelling of zij is al reeds weerlegd

Waarheid door geld en tijdsbesef verkracht

Maakt zienden blind, opake dag wordt nacht

Resteert een zeer droefgeestig zeker leven

 

WINTERSLAAP

 

Een krantje lag er, op de tafel stond naast

De shag een suikerpot, koud was mijn kopje thee

Ik dronk het toch en onder alles wat ik dee(d)

Stond d' afschuw over 's werelds grote haast

 

Waarmee het mensdom op de verre toekomst aast

En nooit zijn doel bereikt, want nooit tevree

Zijn zij, ook ik strijd dapper met ze mee

Terwijl een gure wind geniepig mijn geluk weg blaast

 

Maar onder dorre blaad'ren, nauw verbonden aan een twijg

Zwelt nu al weer een knop, de winter moet nog komen

Maar deert haar niet, haar, nu al mijn belofte

Van ingehouden groen en ik doe een gelofte

Des winters zal ik slapen, laat komen zoete dromen

Waarin ik opgetogen naar het nieuwe voorjaar neig

 

OP WEG

 

"Voorwaarts, voorwaarts" drijft mij dringend stille stem

Laat me ongebaande paden struik'lend zoekend vorsen

Met op mijn schouders mijn verleden, zwaar zullen ze het torsen

En rotsen, struiken, watervallen dwalen mij en klem

 

Zit ik, verwijten, vooroordelen, stormen zonder rem

Dreigen toekomst zwaar en zwart te dragen

Geen basis, hoop, geloof om deze rampspoed sterk te schragen

Des levens speeltuin is verwoest, niet langer luister ik naar hem

 

Die zegt dat leven toch een spel zou moeten zijn

Waarin een ieder doet wat hij het leukste vindt

Waarin al van tevoren de prijzen zijn verdeeld

(Geen pleister sterk genoeg die nu mijn wonden heelt)

En toch, en toch zal ik mijn oor te luist'ren leggen bij het kind

Dat "voorwaarts, steeds maar voorwaarts" roept in mij

 

VRAAGTEKENS

 

Zij schond het leven, had haar schoot misbruikt

Voor walgelijke, opgelegde vooroordelen

Gebraakt uit vele menselijke kelen

Zodat zij nooit meer naar de onschuld ruikt

 

Ik kijk naar haar, mijn lach voldaan besmuikt

Krijgt ieder niet wat hij/zij nooit kan delen?

Is zij niet als and'ren, als zovelen

Door clerus, inquisitie tegen haar wil gebruikt?

 

Maar ben ik dan mijn broeders heil'ge hoeder?

Zal alles wat ik zeg gemeten worden aan een ander

Zodat niets eigens mij uiteindelijk resteren zal

Zijn ziel en waarheid juist de leugens bovenal

Dan wil ik stromen tot aan een meander

Voorschoot van ons aller, eeuw'ge moeder

 

GAIA REVISITED

 

Meer, veel meer dan de wijsheid die ik zoek

Zijn de symbolen van een groter orde

Zij zullen in ons leven niet verworden

Tot feiten - opgeslagen in een boek

 

Wel worden zij misbruikt, geschilderd op een doek

Gekalkt op muur, getoond op demonstratieborden

Die wreed ons tonen hoe wij zijn verworden

Tot hersenloze beesten, nee, die koek

 

Is op voor ons, blijft slechts de waarde

Die wij ooit dichtten aan een grootse macht

Die ons bestuurde, ons regeerde, ons dicteerde

Maar ook ons knechtte, slechts een enkeling begeerde

Nog te zoeken naar die onvoorwaard'lijk grote kracht

Geworteld in ons aller dierb're Aarde

 

TOE

 

Ik wist niet goed hoe ik 't vooralsnog verklaren moest

Zij sprak met mij, ontwaakte een hartstochtelijk verlangen

Zodat de wereld doof werd met pluche & bloed omhangen

En ik een boom met tak & blad & noest

 

Die als symbool voor trouw, nooit vastgeroest, zou dienen,

Zij zou dan uit gaan barsten in vurige gezangen

Maar zij verlangde meer dan blosjes op haar wangen

Eiste trouw, vroeg mij hoe het verder moest

 

Hoezo nu verder, is het antwoord niet besloten

In nageboorte van dezelfde vraag

Of zijn wij werk'lijk niet in staat

Te weten waar het echt om gaat

Is onze oorsprong echt zo onverbidd'ijk vaag

Dan zal het einde hard zijn, een deur die wordt gesloten

 

TROOST VOOR EEN MAN DIE OUDER WERD

 

Hoor, toentertijd werd mij een plan geboren

Fantastisch plan gebouwd op leugen & op rede

Een zoete tegendaad, alles mij aangedaan

Wraak, wraak klonk het bombastisch in mijn oren

 

Van waarheid, recht wild' ik niet horen

Er moest gebloed, dood'lijk & met grote smart

De lieflijkheid van klaarheid kon mij niet bekoren

Zo werd mijn hart een steen, een vuistbijl om te moorden

 

Maar ik verdwaalde in haar Goddelijke ogen

Mijn hart werd water, 'k voelde mededogen

In tomeloze liefde, bruisend als een maagdelijke beek

Schoon als de berg waaruit zij was ontsprongen

In ceruleumblauw een lied voor mij gezongen

Zodat mijn leven onvoorstelb're schoonheid bleek

 

ONDANKS

 

Nu evengoed 't sonnet dan toch geboren worden zal

Dwars tegen tegenspoed of vreemde fratsen in

Heeft 't houden van mijn mond toch ook geen enk'le zin

Nu desondanks 't sonnet dan toch geboren worden zal

 

Nu desondanks 't sonnet geboren worden zal

(Ook in de poëzie gelden noodzakelijke wetten)

Zal niemand mij ook meer het schrijven gaan beletten

Zodat ook uit mijn pen 't sonnet geboren worden zal

 

Want zie, verdommering, verloedering

Gaan samen met vooruitgang hand in hand

Niemand gebruikt meer het gezond verstand

Behalve dan om aardse welstand te verkrijgen

Nee, laat mij liever wijs'lijk zwijgen

Want enkel in het materialisme vindt men nog verbroedering

 

ANTI SONNET-SONNET

 

'k Zou U zo graag verblijden met een weergaloos sonnet

Gezet op juiste versvoet en in numeriek akkoord

Gesproken in gedragen en calvinistisch woord

Groots & meeslepend, helaas, ik vraag belet

 

Want het sonnet, bijna ondragelijk te woord gezet

Is te vijandig, de vrije geest vermoord

Anarchie tussen de regels maar al te graag gesmoord

Om waardig voertuig van 't gevoel te zijn

 

Maar toch heeft Lucebert, tezamen met kornuiten

Geen gelijk want grenzen zijn gemaakt om af te

schermen

Het kaf van 't koren zeer bewust te scheiden

De elitaire geest wellustig te verblijden

Met eigen koninkrijk want vrije literaire termen

Zijn enkel goed voor vele, vals verdiende duiten

 

BIJ VOORBAAT

 

Vergeef mij liefste, dat 'k bedel om jouw schoonheid

Dat 'k van je lichaam geen genoeg kan krijgen

Om van je menselijke hart nog maar te zwijgen

Vergeef mij liefste, dat 'k bedel om je puurheid

 

Mijn lief, vergeef mij dat 'k geniet van vrouw'lijkheid

En de manier waarop jij zaken trots beschouwt

Ik hoop dat jij geen enkel uur berouwt

Dat 'k bij je ben, beed'lend om je kwetsbaarheid

 

Maar mocht ik ooit jouw trots beschamen

Weet dan dat nooit een ander bij mij komen kan

'k Heb je gevonden, standvastig jou gewonnen

Drink held're liefde uit hartstochtelijke bronnen

Vergeef bij voorbaat dus, mijn liefste, deze man

Hij wou leven, maar enkel en alleen maar met jou samen

 

INKOMEN & GAAN

 

Je bent gegaan zoals je was gekomen

Liet in mij een poel van ledigheid

Spiegelend mijn brute, rauwe geiligheid

Oorspronkelijke wellust, nauw'lijks in te tomen

 

Toch existeer je niet zo in mijn dromen

Waar 'k leef in eind'loos schitterende tijd

Waar wat ik doe nooit komt voor nutteloze spijt

Waar jij slechts gaat om altijd weer terug te komen

 

Verbeelding gaat de oorlog aan met 't wrede realisme

Paradoxale bron van 't alledaagse kwaad

Zodra het klokje van gehoorzaamheid weer slaat

En ik teruggeworpen word in hedendaags bestaan

Nee, laat mij liever dromend verder gaan

Dan onderdanig slaaf te zijn van wakend despotisme

 

HET DOEL

 

Nu jij mijn bron van wonderbare inspiratie bent

En ik de muze heb verruild voor vrouw van vlees & bloed

& geur & zweet ? weet ik voor wie ik dichten moet

Zodat jij in mijn verzen altijd jezelf herkent

 

Nu jij 't uiteind'lijk doel mijner sonnetten kent

Smaakt d' overwinning van jouw liefde honingzoet

En zelfs als ik zou gaan, ik weet dat dit ooit komen moet

Klinkt over 't doodsravijn jouw stem voor mij bekend

 

Want nooit zal ik mij van jou laten scheiden

Door uur of afstand - berekening of valse list

Het sterven is alleen een tijd'lijk fenomeen

Niet meer dan golfgeklots tegen verweerde kadesteen

Beweging waar oorzakelijke reden schijnbaar mist

Ik wil jou minnen door alle, mij gegeven tijden

 

KEERZIJDE

 

Mijn lief, sprak ik met hand op teed're vrouwenborst

Zal nu uw zachte hartstocht de ijz'len ziel verleiden

Mijn geest te slapen leggen in Arcadië's groene weiden

Voorbij het rust'loos jagen, over de zielendorst

 

Alsof het een het ander onverbreek'lijk torst

Moet dan een man voor elk geluk weer lijden

Zijn vreugd' door rampspoed laten begeleiden

dacht ik terwijl ik bijna niet meer denken dorst

 

Wijl ik dat overwoog kreeg 'k antwoord, en zij zei

Denk jij nu werk'lijk echt dat ik niet net als jij

Me baden wil in iemand anders' ogen

Dat ik niet zwelgen kan in liefde mij betoond

Weet dan dat passie met droef'nis wordt beloond

Dus draag, beminde, mij op vreugdevolle regenbogen

 

HET DAPPER HART

 

Ik las haar ogen, felle onverbloemde glans

Hield van haar vrije, ongetemde woede

Ze zag er dreigend uit alsof in koelen bloede

Zij roven kon & moorden en bijkans

 

Verdacht ik haar, voorzag een dodendans

Onder haar onverbidd'lijk vrouwelijke hoede

Die mannen waarschuwt: God verhoede

Geef grenzenloze boosheid niet die ene, enk'le kans

 

Waar zijn wij dan zo bang voor, wij die de dood niet schuwen

Die overmoedig vele verleidingen weerstaan

& Muzen, Draken, ja zelfs schikgodinnen huwen

Zonder versagen ook de dapp're vijand laten sneven

Maar Gaia's vesting ongemoeid door eeuwen laten staan

Als felle, vuur'ge vrouwenblik het mannenhart doet beven

 

JAZZ

 

Nu 'k ben gaan zitten om mijn liefde te beschrijven

Zijn mijn gedachten plots verbijst'rend woordeloos

Lijken mijn uren in jouw bed ontzettend broos

Wil ik alleen maar samen hartstocht'lijkheid bedrijven

 

Nu 'k ben gaan zitten om gevoelens te beschrijven

Lijken mijn woorden staam'lend inhoudsloos

Hoe zeg ik... hoe moet ik... zo overbodig, nutteloos

Zal 't woord der liefde immer blijven

 

Toch wil ik, toch moet ik mijn liefde verklaren

Dus dan maar in versvorm, het edel sonnet

Is daarvoor het beste, het meeste geëigend

Vormloos is per definitie zwijgend;

Een roos door mij in smalle vaas gezet

Is sprekender dan duizend woorden of gebaren

 

MAANZIEK

 

Zoals de een zich keert bij 't vallen van de maan

Een ander zich verliest in hartstochtelijke waan

Besef ik wankelmoedigheid bij 't vernemen van jouw gaan

De vrijheid grimlacht want toekomst niet verstaan

 

De vrijheid schaterlacht, 't verleden niet verstaan

Maar oren, mijn, verdoofd door eigenwaan

Vertalen slechts een oppervlakk'ge traan

En horen pathos, van waarheidszin ontdaan

 

Nu hoor ik pathos, door toekomst snel vergeten

En overdrachtelijke leugen, schoon klinkt die valse mond

Maar diep, zeer diep begraven in pre-natale grond

Klinkt zachtjes-dof de stem van mijn geweten

"Hoor" zegt zij: "luister, kijk & zie

Dan volgt vanzelf het beter weten."

 

PRELUDE

 

Haar hoofd, mijn borst tegenwaarts gevlijd

Zag ik vertederd toe hoe zij haar ogen sloot

Ik wist, hoezeer 't mij ook verdroot

Dat zij weer gaan zou na verloop van tijd

 

Een zoen, wat welgemeende woorden

Vleug van liefde, einde eenzaamheid

Maar 'k weet hoe 'k morgen weer mijn tijd verbeid

Mijn toekomst kent slechts solitair' akkoorden

 

Maar nu, wat nu, zij blijft?! ......

Moet 'k dan mijn Muze van mij laten scheiden

Zodat wij samen, jij & ik ons door de hartstocht laten leiden

Kom dan mijn lief, vlij neer uw hoofd

Sluit beide ogen in 't vertrouwen da'k bij je blijven zal

Zoals ik ooit eens heb beloofd

 

NACHTVAL

 

Terwijl de nacht valt langs het avond'lijke raam

Word ik gedreven te gaan schrijven

Terwijl ik weet dat woorden niet beklijven

Waar twijfel in het hart is, maar bekwaam

 

En licht'lijk arrogant, dus zeer voldaan

Zoek ik mijn weg door routes te beschrijven

Laat ik mij door Barok de stroom meedrijven

Rivier die mij hardvochtig dwingt te gaan

 

Want als de muze mij de rug toekeert

En ik wanhopig zoekend door de wereld dwaal

Denkend dat onzekerheid moet worden opgelost

Word ik van 't waanbeeld nooit verlost

Dat 't leven zin zou moeten hebben

En had ik niets begrepen, niets geleerd

 

TIJDDEEL

 

Twee reigers wiekten zwaar in tegenwind

Op zoek naar verre ongeziene horizon

'k wenste dat ik met hen vliegen kon

Sterkvleug'lend zwoegen, eensgezind

 

Boden zij hoofd aan westenwind

Zwart-zilveren flits in winterbleke zon

Die steels door oude wolken breken kon

Dit alles ooit gezien door ogen van een kind

 

Nu droom ik weer een einder, helle euforie

Fluisterzwiepend' zwaanfalanx door helle hemelbaan

Ik kijk niet, nee, ik luister, ik hoor niet maar ik zie

Laat oude waarheid tot overdracht'lijkheid vergaan

Symboolvermogen, tijdelijke eeuwigheid

Schoonheid door mij ontsloten in splinter van de tijd

 

DOOD AAN DE DICHTERS

 

Spuwend hun leed in overdracht'lijke taal

Verbloemend de waarheid in metaforen

Teneinde zichzelf verbaal te bekoren

Narcistische spiegel, wederkerig kabaal

 

Sprekend van zoektocht naar Heilige Graal

Zijn zij zelfs bereid daarvoor Moren te moorden

Fluist'rend hun zwaarden in unisone accoorden

Bach gruwt in zijn graf, ethiek is moraal

 

Dus dichters, dicht voort tot uw laatste zucht

Dissonanten zijn waarheid, ontdek nieuwe paden

In kaders, gewrocht door voorbijgaande daden

Leun niet op wat was, rust'loos is hij

Die tijdeloos leeft als het eeuwig getij

Schoonheid laat zich niet dwingen door tucht

 

WAT IS DAT IS

 

Ik heb me op het nu hartstocht'lijk vastgebeten

zodat verleden geen herinnering meer heeft

en ik niet eens meer weet of 'k gist'ren heb geleefd

voorbije liefde snel vergeten

 

ach- was ik ooit dichter geheten

was 't woord beklijfd, door 't zijn gezeefd

dan zou ik kunnen zien waar een poëet voor leeft

en had de schoonheid van wat was, geweten

 

nu echter is -wat is- de goddeloze wet

heeft me van droom en fantasie beroofd

terwijl ik vroeger sprookjes heb geloofd

verteld voor 't slapen in het warme bed

maar ach, nu 'k kwijt ben wat eens was

wordt ongewisse toekomst spannend mij beloofd

 

 

 

 

 

 

HAIKU’S

 

 

Neergeslagen druppels

Een en al verwondering

Schoonheid in de herfst

 

 

Schelle bliksemflits

Onweer rommelt overal

regen brengt vreugde

 

 

Gisteren vroeg ik

Vandaag krijg ik geen antwoord

drijft het op de stroom

 

 

De haven, stilte

Krijst zijn onbehagen droef

Pek-zwart-e pa-len

 

 

Stil staat het water

De takken der wilgen slaan

Druppels uit het water

 

 

De andere kant

Van het gelijk is roestig

Water deed zijn werk

 

 

Stromende waters

Langs maanbeschenen oevers

Stilgezwegen pijn

 

 

Een blaadje papier

dwarrelt op het water neer

De waarheid ligt stil

 

 

Schrijvertjes schrijven

Zonder letters of tekens

Op water mijn naam

 

 

Dreven wolken langs

Een dreigende horizon

Ontroostbaar verdriet

 

 

Een vraag in de vliet

Is stroomopwaarts beter

Tijd geeft mij antwoord