01 Schaakstuk van Babel

02 Nolite Timere

03 Gedragen declamatie

04 Peinture Percetuelle

05 Wachten op nu

06 Memento Mori

07 Jodi

08 Geheimschrift

09 Godenkletspraat

10 Zoute Vloek

11 Meilied

12 Ik ben het die recht

13 Oud Nederlands Stafrijm

14 Ik weet nog nix

15 Spinoza’s gelijk

16 Requiem

17 Kinderspel

18 Dostojevski’s Erfenis

19 Woorden

20 Leuterkoek

21 (R)apport(age)!

22 Alexandrijn, Muze mijn

23 Goud

24 Grunnegs Gedichie

25 Oud Nederlands Stafrijm

26 Trochaeische Herinnering

27 Helle Hemel

28 Moment of In-between

29 A Place Revisited

30 Voor Haar de Waarheid

31 Niet Mogende Gezegd Zijn

32 Roermond

33 Tijddeel

34 Momento Mori de Tweede

35 Treden

36 Nevels

37 Ode aan P. C. Hooft

 

 

SCHAAKSTUK VAN BABEL

 

Laten we de wereld

Bevrijden van de goden

Bevrijden van hun

Zware lasten

Die ons dicteren

Ons regeren

Beloftes doen van

Nooit meer sterven

Zoals hun eigen leugens

Een niet bestaande

Eeuwigheid beërven

 

Laten we de wereld

Bevrijden van onszelf

 

1

NOLITE TIMERE

 

Uitgeschilderd, uitgeademd,
Uitgevreeën, uitgeschreven...
Laatste loodjes zijn te zwaar
Droegen ze wat lichter kwam
Er nooit een eind
Aan dit verrotte, mooie leven.

Doodgaan immers is nog nooit
Door die vertrekt, beschreven.


‘t Gewicht van heengaan
Rust bij hen die node blijven
Leven wil te graag beklijven
Sterven echter duurt slechts even.

 

2

GEDRAGEN DECLAMATIE

 

Volk, verlos U van de leugen

Volk, ontsnap aan religieus gebod

Wie zich bevrijdt - dat zal hem heugen -

Kent eindelijk de waarheid over god

En al zijn vunzige trawanten

Verzonnen in een middeleeuwse hel.

Waarin het vrije denken ton-gespijkerd,

Verkracht, verbrand, gevierendeeld

Voor „De Grote Liefde Gods“ moest wijken

Mens, bevrijd U van uw zelfgekozen lot.

 

3

PEINTURE PERCEPTUELLE

 

Terend op herinneringen
Vullen blankgewitte vlaktes zich
Met beelden uit vervlogen tijden
Om geduldig vorm te geven
Aan filosofisch lijden

 

Hoe verder het doel
Hoe korter de weg
Gehaast het koninklijke schrijden
Door witgebleekte vlaktes
Manifesterend, met onverbloemd
De tekenen van traag verscheiden

 

4

WACHTEN OP NU

 

… en nog steeds herfst het hevig

En bloemen, spinnen, paddestoelen

Verheugd gespot, vereeuwigd

Voor de jongste dag

Of op z’n minst tot volgend voorjaar

Nu het zo hevig herfst.

 

Want nu het hevig herfst

Zegt bloem en spin en paddestoel

Dat ik moet wachten

Tot de jongste dag

Of op z’n minst

Tot het zo hevig herfst.

 

5

MEMENTO MORI

 

Een vriend schreef: doodgaan doe je niet

Slechts wie jou liefheeft, sterft

Dacht ik, stervend aan je bed

Waar jij je laatste adem liet

 

En toen jij was ontsnapt

Moest ik het leven laten

Aan redeloze ademtocht

Nee, doodgaan doe je niet

Als wie jij liefhebt, sterft.

 

6

JODY

 

Ze schreef:

Dit boek is voor het oude licht,

Gaf vergezicht

Op dat wat zag,

Wat stroomt en was

In foto, woord en

Kwetsbaarheid.

En kwijt zijn, anders dan

Onnoemelijk verlies

Bij haar afwezigheid

 

7

GEHEIMSCHRIFT

 

Terwijl de imbecielen rijmels schrijven in

Hun zelfgewrochte hel, het voorgeborchte haar

Geheimen prijsgeeft moet waarheid, hoe vermetel

Ook gesteld, verborgen blijven, ja, die wel

 

Te groot is heden kruisgevecht,

Te zwaard hun messen,

Te scherp hun waarden,

Hoe hopeloos de overwinning.

Schijnbaar zijn de plussen min,

De linksen rechts

De ondersteboven ook!

 

8

GODENKLETSPRAAT

 

Laten we de wereld kond doen over goden
Hoe zij, geboren in een zwarte nacht 
Uit diepgaand zelfbesef van dood en lijden
Ons met een liegverhaal verblijdden
Over levenden en doden.

 

Hoe zij de twijfel keerden
Naar blindelings vertrouwen,
De wanhoop kantelden in hoop, 
‘t Besef van droefenis tot vreugde
En duisternis betoverden naar ochtendgloren.

 

Hoe wij dat alles zelf niet konden,
Manco wetend, staande naast de groeve
Van hen die ons ontvallen waren,
Daar uren, splinters van herinnering
Nooit meer terug worden gevonden.

 

9

ZOUTE VLOEK

 

Terwijl de ouden

Ongeremd

Hun erger spuien

Hun kwalen blank en bloot

Op zee en havendijk

Uitvoerig banken

De vloed, eb, irritant getij

Voortdurend hen herinnert

Aan eeuwigheid waar zij

Geen deel aan hebben

Ziedaar de heimwee

Ergernis

En zilt bejaarde tranen

 

10

MEILIED

 

Ik zoek het lied voor nieuwe mei

Een and’re mij, in oude mei

Een mij die zal gehoord

 

Geen wanklank, eermaal moord

Geen klater laterom geluisterd

Verguld gezocht, sonant en consonant

Voor nieuwe, onvolprezen mij

In mei.

 

11

IK BEN HET DIE RECHT

 

Ik ben het, ik zeg ze, de verzen van gist”ren

Wat zou het, ik doe toch wat ik wezenlijk wil

En zijn er geen schouwers, geen hoorders meer over

Dan roep ik mijn lied’ren tegen het lover

Het luistert, het zwijgt en ik hoor het slechts knisp'ren

Als 't vuur van de helpoort het branden wil

 

Maar is er nog iemand die hoorder wil spelen

Dan speel ik die lied'ren terug naar zijn oor

En kan hij, of wil hij de waarheid niet velen

Of breekt er tumult los uit duizenden kelen

Dan moet ik, dan wil ik de schoonheid niet delen

Dan sneuv'len mijn zangen, dan gaan ze teloor;

Zo sneuvelen verzen en gaan dus teloor

 

12

OUD NEDERLANDS STAFRIJM

(met moderne aanpak, dat wel!)

 

Veelal vruchteloos is 't pogen
Veelal franjeloos het doel
Zonder leed geen mededogen
Veelal vervelend dat gevoel

 

Vaak vertwijfeld in 't gedogen
Zeg 'k wat ik veelal veins of voel
Zonder vreugd geen ziel bewogen
Vaker echter hou 'k mijn smoel

 

13

IK WEET NOG NIX

 

Het gras is groen

Een boom staat hoog

Een huis is vaak van steen

Een boterbloem is geel en niet

Veel groter dan een madeliefje

Er klaagt een geit

Mekkert om het hoekje van de schuur

Iets knarst, dat is de waterput

De poezen slapen in 't kozijn

En Zon staat stralend aan de

Hemel als een uit

Zijn as verrezen phoenix

De hond blaft

Kat miauwt en

Nog steeds weet ik nix

 

14

SPINOZA’S GELIJK

 

't Verscheiden van het licht

Belast mij enkel duist're paden

Waarop mijn voeten, zinnen, lusten, daden

Hun nutteloze leven leiden

Rest mij de schoonheid van 't gedicht

 

Daar ogen, mijn, de duisternis ontwaren

Als duivel zelf zijn mij die gaven toebedeeld

Al god zie ik, de mensheid speelt

Daar zij de hemel, hel ontkent

 

Rest mij mijn lezers, weinig slechts, te sarren

Met valse grijns op 't aangezicht

Rest mij de schoonheid van het lelijke gedicht

 

15

REQUIEM

 

Sommige dingen gaan vanzelf, sommige wel

Wakker als licht, slaap als je moe

Trek als je maag leeg, mooi als je blij

Sommige dingen gaan vanzelf

 

Sommige dingen gaan vanzelf, sommige wel

Ril als je koud, zweet als je warm

Rood als je brand, snee in je hand

Als je snijdt tijdens kook, als vanzelf

 

Traan als je weg, sneu als je jarig

Sommige tranen gaan vanzelf

Leeg als je ligt, ademloos

Sommige dingen gaan vanzelf

 

Sommige wel

 

16

KINDERSPEL

 

De golfslag van de wind

Rukt zichtbaarheid uit wimpels

& vanen, vlaggen spreken het verhaal

Dat altijd was en nooit gezien

Behalve door

De ogen van een kind

 

De windkracht van de zee

Spoelt zichtbaarheid langs lome dijken

Basalt steunt het verhaal dat altijd was

Totdat door ogen van volwassenheid

Het sprookje van het kind

Voor grotemensen-daad moet wijken

 

17

DOSTOJEVSKI‘S ERFENIS

 

Binnen verklaarde grenzen is schuld een douanier

En ongeduld een rem op stralend uitzicht

Dus sterf, beambte in mij, laat geweten

Niet hinder zijn voor blik op verre verten.

 

Want grenzen zijn een feodaal metier

En wreedheid is het loon voor anarchie

Verdwijn, verleden, laat het heden

Uitzicht zijn op heuvelland Arcadië.

 

18

WOORDEN

 

Mijn dagen rijgen zich aaneen
Verdwijnen horizonsgewijs 
Naar onbekende oorden
Daar worden zij gebruikt 
Door anderen

 

Voor anderen:

Geef me mijn tijd terug
De uren gaan te snel 
Voor onbekende woorden
Die nooit worden herbruikt
Door mij
Maar wel door anderen.

 

Dus hang die woorden in de lucht
Waar zij voor eeuwig blijven
Ter ere hen die opwaarts kijken
Zo winnen woorden van mijn tijd
Zo moet mijn kunst beklijven

 

19

LEUTERKOEK

 

Waar waarheid is verdronken

In zeer beschaafde leuterkoek

Waar zaken, uitgesproken zaken

Verdwijnen om onuitgesproken hoek

Die hoek, waar niet zo brave jongens

Hun expliciete tijd verdoen

Met boeten voor hun vrijheid

Gerechtigheid is blijkbaar zoek

 

20

(R)Apport(age)!

 

In de ochtend, als ik met mijn hond

Een Goedemorgen wek van menig leven

Geboren door het waakbevel

Van wrede waarheid, opstaan nu!

 

Een wekker waakt, en ergens gaat

De telefoon, neem toch es op

Helaas, hij slaapt

 

Slaap lekker, sluimerwekker

Maar hond en ik

Zien opwaarts, stijve nek

Morgenvlucht van wolken meeuwen

Naar ebgebied en weten

Weinigen zagen dit!

 

21

ALEXANDRIJN, MUZE MIJN

 

Goedemorgen hartediefje, mooie Muze mijn

Verloren, toch weer opgedoken

Nu lig je naast mij, ogen licht geloken

Alexandrine, alexandrijn

Dag liefje, hartediefje, schoonste Muze mijn

 

Dag Muze, Muizenis, mooie Muze mijn

Mijn adem zal jouw lijf minzaam beroeren

Mijn kussen zullen jou vervoeren

Alexsandrine, alexsandrijn

Dag Muze, mooie Muze, mooie Muze mijn

 

22

GOUD

 

Ik hou van goud, ik hou van groen

Amber gevat in stralenbogen

In zonsopgang, in mooie kunst

In beelden van een fotograaf

Maar bovenal, en dat vooral

Als ik onpeilbaar diep

Verzink in beide uwer ogen

 

23

GRUNNEGS GEDICHIE

 

Lutje wichie

 

Lutje wichie, mooi gezichie,

Loatgeboor'n kind van Zeus,

'k Wil altied wel bie die bliev'm,

Schitterende laidjes schriev'm,

Ken'k die altied tuut’n op dien mooie neus.

 

24

OUD NEDERLANDS STAFRIJM

(met moderne aanpak, dat wel!)

 

Veelal vruchteloos is 't pogen
Veelal franjeloos het doel
Zonder leed geen mededogen
Veelal vervelend dat gevoel

 

Vaak vertwijfeld in 't gedogen
Zeg 'k wat ik veelal veins of voel
Zonder vreugd geen ziel bewogen
Vaker echter hou 'k mijn smoel

 

25

TROCHAEISCHE HERINNERING

 

Aan een knaapje, zwoel gekapstokt

Hangt een jurkje in mijn kast

Maar als ik de deur weer los doe

En mijn ogen dan niet toe doe

Dan is Leiden weer in last

 

Oh, dat jurkje dat jij aan had

Toen ik jou mijn liefd' beleed

Als ik nu mijn hart weer los doe

En mijn ogen even toe doe

Zie ik jou, met lust bekleed

 

Ach, dat jurkje dat jij uit had

Hangt nu verkreukeld in mijn kast

 

26

HELLE HEMEL

 

Vier voeten paarsgewijs in 't rulle zand

Zij praatte honderduit over het toeval

Of 't wel of misschien niet bestond

En had geen flauw idee waarin zij was beland

 

Vier voeten paarsgewijs door 't witte zand

Hij staarde over 't water, voelde eenzaamheid

Genoot wel van 't feit dat hij bestond

Maar had geen flauw benul, greep toen haar hand

 

En zij verstomde woordeloos, ontdaan en

Stil vergleed de tijd voor deze twee

Zij plukten later bessen, bloemen, zelfs de dag

Totdat het tijd werd om naar huis te gaan

 

Vier schoenen vuil door 't natte zand

En even was de hemel open voor hen bei

Zo hel, zo ongekleurd, zo niets van alles

Vier voeten paarsgewijs door 't rulle zand

 

27

MOMENT OF IN-BETWEEN

 

Tussen daad, gedachte

Zit een duivel stil

Te wachten om

Genaad'loos toe te slaan

Op 't moment onzekerheid;

Schermt met woorden

Achterdocht en zekerheid en spijt

Opdat ik niet meer durf te gaan

Niets in de toekomst kan verwachten

Dan dat tussen daad, gedachte

Elke keer die duivel zit te wachten

Om genaad'loos toe te slaan

 

28

A PLACE REVISITED

 

Aan d'einder staan wat heuvels

Grijs-blauw gekoppeld aan een hemel

Ik weet een stad daar

 

En dichterbij, meander van een oude vliet

Wat duidelijker, de wilgen die haar zomen

Een duif schiet vleugel-klapp'rend weg

 

Van hier,. de plek waar ik nu sta

Getooid met vreugdevol' herinnering

Aan jou, hoe wij hier samen keken

Naar onze toekomst, liefde in het koren

Stad in de heuvels

Hemel op Aarde

 

29

VOOR HAAR DE WAARHEID

 

Glas-blauwe suikerpot, rook-glazen Shell-mok

De lepel met sporen van dagenlang thee

Het vuilwitte tafelblad, bierviltje van gist'ren

Het adres van een meisje, ontmoet in 't café

 

Hij was aan het zwerven, kwam toevallig haar tegen

Het klikte , zo dacht hij, en bood haar een glas

En zijn gezelschap, zij knikte instemmend;

Hij wist een cafeetje waar 't gezelliger was

 

Dus fietsten zij samen door stad en door regen

Naar 't volgende kroegje en dronken wat bier

En praatten en proostten, ze lachten veel samen

Tot 't sluitingstijd was, zo tegen half vier

 

Toen deelde ze mee dat een vriendje haar wachtte

En of hij nu boos was, hij schudde van nee

Maar betaalde de drankjes, nam zelfs geen afscheid

Ging terug naar zijn flatje en keek daar Teevee

 

 

overbodig refrein:

 

Gist'ren was een andere dag

Een dag als nooit tevoren

Nu klinkt jouw naam

En beeldbuis zal mij nooit eenmaal

Als vroeger meer bekoren

 

30

NIET MOGENDE GEZEGD ZIJN

 

Maak uw verbeelding autonoom

Zij zal ter plekke onbeheersbaar zijn

En uit zijn jasje en uw geest

In mateloze rampspoed groeien

 

De geest is uit de fles, hoera!

Zal hij (of zij) mijn baas of dienaar zijn

Maar halt, ho, op mijn pad terstond gekeerd

Ik zal U met mijn wartaal niet vermoeien

 

Zoals de één de donder op de schenen tolereert

De ander in de herfstzon stil geniet

Van wat gebeurt en wat soms niet

De dominee zijn valse tong wellustig masturbeert

 

O, dol is hij op spuwend woordenstroom

Zijn religieuze wellust schuilt fascistoïde macht

Een mens is niet krankzinnig als U ziet wat ik bedoel

 

Verbale onzin bergt wijsheid in evenknie's oren

Ethiek is de zonde na kunst pas geboren

Esthetisch verleden, autonoom het gevoel

 

Verderfelijke donder geboren op kansel

Geeft vrucht geen bestaansrecht

't Gevoel enkel schuld

Macht die misbruikt wordt

Perkt andermans vrijheid

Wijsheid is pauze, zien is geduld

 

31

ROERMOND

 

Ik kan de schoonheid zingen van platanen

Hoe zij, geworteld op een Roermonds plein

Omringd door blik en stoel en tafel

Schijnbaar gelukkig zijn

 

Hun stam, in tinten afgebladderd

Lijkt moeiteloos de zware bladerkroon te dragen

Een zuidelijke hemel standvastig

In klassieke stijl te schragen

 

Maar ware ik plataan

En ‘k zou toch beweging kennen

Dan zou ik stapvoets mij terug gaan trekken

Tot aan een plek waar geen stoeltjes, tafels

Of nutteloze kathedralen staan.

 

32

TIJDDEEL

 

Twee reigers wiekten zwaar in tegenwind

Op zoek naar verre ongeziene horizon

'k Wenste dat ik met hen vliegen kon

Sterkvleug'lend zwoegen, eensgezind

 

Boden zij hoofd aan westenwind

Zwart-zilveren flits in winterbleke zon

Die steels door oude wolken breken kon

Dit alles ooit gezien door ogen van een kind

 

Nu droom ik weer een einder, helle euforie

Fluisterzwiepend' zwaanfalanx door helle hemelbaan

Ik kijk niet, nee, ik luister, ik hoor niet maar ik zie

Laat oude waarheid tot overdracht'lijkheid vergaan

Symboolvermogen, tijdelijke eeuwigheid

Schoonheid door mij ontsloten in splinter van de tijd

 

33

MOMENTO MORI de TWEEDE

 

Beschouw uw dood als lustig leven,

Uw trotse daden als profaan

Uw leugens als een nobel streven

Om beter met de waarheid om te gaan

Want weet, u hebt

Geen tijd omdat er tijd verstrijkt

Terwijl er klokken zijn gaan slaan

U hebt gewoon geen tijd.

 

34

TREDEN

 

Hoe wij gezamenlijk

De trappen van ‘t bordes

Afdaalden en

Onze stappen foutloos

In eenander pasten

Hoe ‘k in jouw

Richting keek en

Trots mezelf vertelde

Dat ik jou had

 

Dat ik jou had en niet

Verdiende maar toch

Dat ik jou had terwijl

De treden van ‘t bordes

Ons beider voeten

Naadloos

Naast elkander pasten

Ons dwingend

Begeleidend

En ik jou had

Of had jij, had jij

Mij

 

35

NEVELS

 

Zoals die keer dat ik wou weten

En niemand zei me hoe het zat

Zoals die keer met al die vragen

Niemand die het antwoord had

Zoals met al die foute bloemen

Niemand die me ‘t waarom zei

 

En ook die zoenen op het zandpad

Maar het vervolg ontbrak ten enemaal

Domweg omdat ik niet wist

Omdat niemand het me zei

Dat kansen vluchten in een vage mist

Verdwijnen in een verre tijd

Als ze niet gevangen worden

Aldus worden ze gewist

 

36

ODE AAN P.C.HOOFT


I


waar vroegertijds de liefde werd bezongen
wordt hedendaags de zaak luchthartig afgedaan
verdien jij wel genoeg, heb jij een goede baan
uitsluitend redenen door ratio bedongen

werd in vroeger eeuwen de hartstocht afgedwongen
door romantiek en zinlijkheid, welaan
-nu drupt dramatisch een treur'ge, trieste traan-
zoals de ouden pijpten, zo zingen niet hun jongen

O, rijkdom van voorbije, ouderwetsche tijden
laat dichters van vandaag zaak'lijkheid vermijden
laat hen weer spreken in overdrachtelijke taal

laat hen weer zwaar-bombastisch schrijven
over hun Venus, hoe die voor eeuwig kon beklijven
zoals de wielewaal, de mus en nachtegaal

 

II

 

zoals de wielewaal, de mus en nachtegaal
heeft ook de liefde geen bestaansrecht zonder leven
en vice versa , maar da's mij om het even
als ik verzucht: “dat Amor uit zijn hemel daal'

om mij te wonden met de oudste kwaal
die mensen lijden zonder ziek-koortsachtig beven
waarvoor dapp're helden roemrucht willen sneven
poëten verzen schrijven”, maar banaal

zijn dichterspogingen tot stervensdood gedoemd
worden hun makers namen in toekomst niet geroemd
als die niet zijn geënt op wezenlijk verhaal

op bron van inspiratie, verrukkelijk vrouw'lijk wezen
wier woord zo moeilijk, zo hardvochtig is te lezen
zo wisselend haar weg, zo letterlijk haar taal

 

III

 

zo wisselend haar weg, zo letterlijk haar taal
dat kunstenaars 't woord maar zelden kunnen vatten
zodat in menig kroeg men ze zich ziet bezatten
veelvuldig offers plengend in Bacchus' wijnbokaal

dus nuttigen zij zo gretig menig alcoholisch maal
bevechten bruisend bier als hongerige ratten
dat later zij weer reden hebben om te matten
met bloed & blauwe ogen - de lafaards aan de haal

die houden niet van vechten, zeker niet om een vrouw
die lopen weinig blauwtjes, staan zelden in de kou
maar hebben ook nog nooit een liefdeslied gezongen

zij spreken overdrachtelijk in hoofse poëzie
dragen nooit iets vrouwlijk-schoons op mannelijke knie
zoals zij zijn gebekt, zo spreken ook hun tongen

 

IV

 

zoals zij zijn gebekt, zo spreken ook hun tongen
hun poëzie draagt nooit de passie, nooit de klacht
hun eenzaamheid vertoont zich midden in de nacht
hun lied wordt echter nimmermeer gezongen

zij worden wel per stuk betaald, zo hebben zij bedongen
het brood moet op de plank, dit wordt alom verwacht
als je moet leven van de steun ben je al gauw verdacht
maar er komt valse lucht uit harteloze longen

doch nooit zijn zij geweest in Amor's heil'ge sponde
daar zij door 't alaanwezig kwaad worden gedreven
in het allerergst' geval zien zij het zelfs als zonde

zij schrijven wat een levend mens nooit schrijven zou
hun ziel is zwart, hun geest voor immer in de rouw
geluk wordt zelfs in voorspoed aan hen toch nooit gegeven

 

V

 

geluk wordt zelfs in optimisme aan hem toch nooit gegeven
die 't najaagt, zoekend door 't verleden dwaalt
waar menige herinnering door vruchteloze hersens maalt
en hoop op beet're toekomst rampzalig hen doet leven

dus dwalen zij koortsachtig door nachtelijke dreven
hopend dat de waarheid weldra in hen nederdaalt
zodat hun sombermoede leven dag na dag verschraalt
tot aan het onverbidd'lijk eind, dat is het enige gegeven

maar gelukkig is de man die vrouwen kan bewonderen
die lichaamsronding als een godd'lijk landschap ziet
waarin hij eeuwig zwerven kan en wil

een duif zoekt onvermoeibaar eigen til
vergetelheid ligt in dat verr’ verschiet
waar vroegertijds de liefde werd bezongen